Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pikken - (stelen, accepteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pikken ww. ‘met de snavel bijten; prikken; stelen; accepteren’
Mnl. picken, pecken, peken ‘pikken’ in also sterc es hi ghebect dat hi die bome dore pect ‘hij heeft zo'n sterke snavel dat hij bomen kapot pikt’ [1287; VMNW picus I], die odeuare begonste pecken ‘de ooievaar begon te pikken’ [1340-60; MNW-R], ‘hakken, houwen’ in laet ons picken een gat [1350-1400; MNW-R], ‘plukken, oogsten’ in si mayen, si picken ‘zij maaien, zij oogsten’ [ca. 1465; MNW]; vnnl. picken ‘steken, prikken; houwen, hakken; heimelijk wegnemen, stelen’ [1599; Kil.]; nnl. pikken ‘uitkiezen’ in om 'er de besten uit te pikken [1776; WNT raaf I], ‘nemen, pakken’ in een graantje gepikt ‘een borreltje genomen’ [1840; WNT graan I], ‘wegnemen, stelen’ in daar heeft iemand mijn geld gepikt [1865-70; WNT], ‘steken’ in als ... zout in een wond komt, dat pikt fel [1864-70; WNT], ‘nemen, accepteren’ in ik pik dat niet ‘ik accepteer dat niet’ [1976; Van Dale].
Klanknabootsende vorming; zie ook de varianten → bikken 1 ‘hakken’ en → bikken 2 ‘eten’. Buiten het Germaans zijn vergelijkbaar, maar niet verwant, Frans piquer ‘prikken, steken’; Italiaans piccare ‘steken’, beccare ‘pikken door vogels’; Spaans picar ‘prikken, pikken, steken’. Herkomst uit pie. *bheg-, *bheng- ‘stukslaan, breken’ (IEW 114) ligt minder voor de hand.
Oe. picung (zn.) ‘het prikken’ (me. picken ‘pikken, hakken’, picchen ‘stoten, steken’; ne. pick ‘plukken, uitpikken, kiezen’, ‘wegpakken’ in pickpocket ‘zakkenroller’); on. pikka ‘hakken, steken’ (nzw. picka ‘hakken, tikken, pikken’).
Een dubbele medeklinker, zoals hier -kk-, komt veel voor in klanknabootsingen, maar er zijn ook vormen met enkele -k-, zoals peken ‘hakken’ in den muer ... breken ende houwen ende afpeken ‘de muur kapotmaken en hakken en weghakken’ [14e eeuw; MNW], en zie ook → piek 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pikken2* [stelen, accepteren] {picken, pe(c)ken [houwen, pikken, oogsten, heimelijk wegstelen] 1285} middelnederduits pecken [pikken], middelengels pikken [pikken, plukken, opensteken], oudnoors pikka [pikken, houwen]; van middelnederlands pike, peke [houweel, snoeimes], mogelijk ook verwant met frans piquer [prikken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pikken ww., mnl. picken, pecken ‘houwen, pikken, oogsten, maaien’, mnd. pecken (> nhd. pieken) ‘pikken’, me. pikken (ne. pick) ‘pikken, plukken, opensteken’, on. pikka ‘pikken, houwen’ (waarnaast pjakka < *pekkan). — Daarnaast staan met k mnl. pēken ‘houwen’ en de onder pik 3 genoemde woorden.

Men zal van een germ. woord moeten uitgaan, waarvoor ook het parallelisme met bikken 1 pleit en dan zal het wel uit een klanknabootsend pik ontstaan zijn. Secundair kan men vooral in ons taalgebied aanraking met fra. piquer voor mogelijk achten. Want ook in het romaans vinden wij gelijksoortige woorden, zoals ital. piccare, spa. port. picar ‘pikken, bijten, jeuken, ergeren’, die zeer wel autochthoon kunnen zijn en niet van een germ. *pikkōn behoeven te zijn afgeleid, al is secundaire beïnvloeding tussen de germ. en de rom. woorden altijd mogelijk. — De vorm met -kk- is natuurlijk een typisch voorbeeld van affectieve verdubbeling. — H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 5 denkt aan een ontlening aan een onbekende idg. substraattaal met onverschoven tenuis en vergelijkt gr. pikrós ‘bitter’, lat. picus ‘specht’; daarnaast met mobiele s de woorden specht, spaak en spijker. Zie verder ook: pekel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pikken ww., mnl. picken, pecken “houwen, pikken, oogsten, maaien”. = nhd. (oorspr. ndd.) picken, mnd. pëcken “pikken”, meng. pikken, eng. to pick “pikken, plukken, opensteken”, on. pikka, pjakka “steken, houwen”. De kk zal wel uit idg. gn (ĝn?) te verklaren zijn: verwant zijn met enkele k: mnl. pēken “houwen”, pēke (ê?) en pîke v. “pikhouweel” (naast picke, pecke “id.”; wvla. nog pijkelen “met een pikhouweel openhakken”), ags. pîc (m.?) “puntig werktuig” (eng. pike), on. pîk v. “id.”, mnd. pêk m. o. “lans, piek, spits ijzeren voorwerp”, mnl. piec m.; zie piek. Misschien hoort ook hierbij pekel. Uit germ. *pîkô- “spits voorwerp” fr. pique. Of mnl. pîke “piek” uit ’t Fr. komt of alleen in de bet. door pique beïnvloed is, is onzeker. De woordgroep is in ’t Rom. ook verder zeer verbreid: spa., port., catal., prov. picar, fr. piquer, rhaet. pichir, it. piccare “steken”; toch zal zij wel oorspr. germ. zijn, ofschoon een bevredigende etymologie ontbreekt. De combinatie met oi. bī́ja- “zaadkorrel” is dat allerminst, evenmin die met ier. biach “penis”. Mnl. picken is met bikken in associatie getreden, maar oorspr. een geheel ander woord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pikken. De vormen met kk zijn typische intensiefformaties, waarbij geen n-assimilatie in aanmerking komt: vgl. bakken Suppl. 1e alin. en drop I Suppl.
De grote verbreiding van de rom. woordgroep maakt germ. herkomst, ook van fr. pique, onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pikken o.w., Mnl. picken, pecken + Meng. pikken (Eng. to pick), intens. van Vla. pijk(el)en, waarnevens Mnl. peken: oorspr. onbek. Ging over in ʼt Kelt. (Gaël. en Ier. pioc, We.. pig) en in ʼt Rom. (Fr. pique, pic, piquer, Sp.-Po. picar, It. piccare).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3pik ww.
1. (veral t.o.v. slange en voëls) Met die tande of snawel aanval. 2. Voedsel met die snawel eet. 3. Met 'n pik (2pik 2) werk. 4. Iemand gedurig kritiseer, onvriendelike opmerkings maak.
Uit Ndl. pikken (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1605 in bet. 4), met bet. 4 wat uit bet. 1 ontwikkel het deurdat iemand wat kritiseer of onvriendelike opmerkings maak, soos 'n voël ander pik en verdryf.
D. picken, Eng. pick, Fr. piquer, It. piccare.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pikken ‘met de snavel of een scherp voorwerp steken naar’ -> Negerhollands pik, pek ‘plukken, pikken, oprapen’; Papiaments pik ‘met snavel of scherp voorwerp steken naar; snavel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pikken* stelen 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut