Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pik - (het pikken, prik; penis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pik 1 zn. ‘mannelijk geslachtsorgaan’
Nnl. pik ‘mannelijk lid’ in heb jij je pik bezeerd [ca. 1900; WNT pik III], pikkie (kindertaal) ‘mannelijk lid’ [1974; Koenen].
Herkomst niet duidelijk. Het woord heeft dezelfde betekenis in de Skandinavische talen, en is daarom wrsch. van dezelfde stam als → piek 1 ‘prik, steek, soort houweel’. Een vergelijkbare betekenisontwikkeling van ‘scherp voorwerp’ naar ‘penis’ treffen we aan in het Eng. prick. Het is minder waarschijnlijk dat dit hetzelfde woord is als pik ‘lampenpit’ in een verouderde uitdrukking onder militairen je pik stinkt ‘de lamp stoomt’ [1882; WNT pik VI], al wordt Nieuwnederduits piik, pek(ke), peek ‘lampenpit; wortel’ ook voor ‘mannelijk lid’ gebruikt (WNT). Dat woord pik is wrsch. hetzelfde als een verouderd woord in oostelijke dialecten: peddik ‘merg van dieren en bomen’, vnnl. peddick ‘merg, pit’ [1599; Kil.], nnl. ook peek ‘vlierpit, merg van de vlier’ [1887; WNT peddik], ook Nederduits peddik ‘merg, pit’; de verdere herkomst hiervan is onbekend.
Nde. pik, nzw. pick; nno. pikk, alle ‘penis’ < pgm. *pik(k)a-, met de nultrap van dezelfde wortel als in → piek 1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pik 1 znw. m. ‘stoot, prik’, afgeleid van pikken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pik 3 m. (het pikken), verbaalabstr. van pikken: z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2pik s.nw.
1. Handeling van te pik (3pik 1). 2. Tipe werktuig om harde grond mee te kap.
Uit Ndl. pik (Mnl. picke in bet. 1, 1655 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pik. In Vlaanderen vond ik zuig een puntje aan mijn pik! Overal in het taalgebied komt de elliptische verwensing (krijg) een dikke pik! voor. In de Amerikaanse film G.I. Jane van Ridley Scott wordt de verwensing suck my dick! in de Nederlandse ondertiteling vertaald met lik mijn pik! Al deze verwensingen betekenen ‘ik ben woedend, walg van je, donder op’. Ook onder Leidse scholieren blijkt lik mijn pik! niet ongebruikelijk. Voor de verwensing krijg wat aan je pik! zie men onder het trefwoord wat. Pik wordt in samenstellingen gebruikt om een vloek te versterken, zoals in krijg de piktyfus! In het verwensingsversje Wat je zegt, ben je zelf enz. komt een enkele keer de elliptische antwoordverwensing voor (val) met je pik door de helft! Hetzelfde geldt voor (val) met je pik in de muur! Beide drukken minachting, haat, wrevel enz. uit en zijn geheel losgezongen van hun eigenlijke betekenis. → elf, helft, koffiemelk, lepel, pukkel, tiet, touw, verf, zuigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pik ‘penis’ -> Sranantongo pike ‘penis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pik* penis 1900 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal