Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pik - (werktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pik 2 zn. ‘prik, steek; soort houweel’
Mnl. picke ‘snoeimes, pikhouweel’ in riec, pike, vlegel ‘riek, snoeimes, vlegel’ [14e eeuw; MNW], nemt ene picke ... ende laet ons picken een gat ‘pak een pikhouweel en laten we een gat hakken’ [1350-1400; MNW-R], ook pike in met piken ‘met houwelen’ [1350; MNW]; vnnl. picke ‘snoeimes, houweel’ [1599; Kil.], ‘stoot of prik van een vogelsnavel’ in een eyken boom vereyst al harder pick ‘in een eik moet veel harder worden gepikt (zoals de specht doet)’ [1618; WNT], ‘prik met een scherp voorwerp’ (stilet ...) een pikjen ‘een prikje’ [1644; WNT]; nnl. pik ook ‘beet van een insect’ in pikken van een vloo [1923; WNT].
Afleiding van → pikken ‘prikken; hakken’. Naast mnl. picke kwam ook de vorm pike voor, zie → piek 1 ‘spitse punt, speer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pik2* [houweel] {pi(c)ke, pe(c)ke [pikhouweel, snoeimes] 1350} van pikken2, maar ook o.i.v. frans pic [piek, houweel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pik 3 znw. v. ‘soort houweel; kleine zeis’, mnl. picke ‘pikhouweel, snoeimes’ naast pēke, pîke, mnd. pēk m. o. ‘lans, piek, spits ijzeren voorwerp’, oe. pīc ‘puntig voorwerp’. — Eensdeels is dit woord gevormd van het ww. pikken, maar andersdeels moet men ook rekenen met een ontlening uit fra. pique, waarvoor zie piek 3.

Daaruit is verder ontstaan de bet. van ‘mannelijk lid’. Een parallel geval is on. ǫgurr, waarvoor zie M. Olsen, Edda- og Skaldekvad 1, 1960, 17.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pik II (kleine zeis). Uit mnl. picke v. “pikhouweel”, ook reeds “snoeimes”; de laatste bet. onder invloed van picken “oogsten, maaien”. Zie pikken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pik 4 m. (zeis), verbaalabstr. van pikken: z.d.w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pik ‘houweel’ -> Frans dialect pique, pic, pik ‘soort sikkel; kleine zeis met kort handvat’; Papiaments piki ‘pikhouweel’; Sranantongo pik, pikaksi ‘houweel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pik* houweel 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut