Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pijp - (buis; rookgerei)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pijp zn. ‘buis; rookgerei’
Mnl. pipe ‘blaasinstrument, fluit’ [1240; Bern.], ‘rietje, buisje, pijpje’ in blast hem ... met eren pipe in der nese ‘blaas het (geneeskrachtige kruiden) bij hem met een buisje in de neus’ [1287; VMNW], ‘buis, afvoerbuis’ in die pipen ... vander fontheine [1294; VMNW], eyn pijp off eyn waterleyde of waterganck [1477; Teuth.]; vnnl. pijp ‘fluit’ in pypen, scalmeyen ende claretten ‘fluiten, schalmeien en trompetten’ [1528; WNT], ‘buis’ in fonteyne, met gulden pypen ‘fonteinen met gouden waterbuizen’ [1528; WNT], ‘orgelpijp’ in alle die pypen (van het orgel) [1557; WNT], ‘holle buis’ in pijpe, oft buyse [1573; WNT], ‘buis in mens, dier of plant’ in die pijp ... in de longe nederdalende ‘de luchtpijp ...’ [1666; WNT], ‘rookgerei’ in korte Pijpen ... lange Pijpen [1693; WNT], een pyp tabak [1698; WNT], ‘iets wat hol en buisvormig is’ in de broek, welkers pypen ... ‘de broek waarvan de pijpen ...’ [1698; WNT]; nnl. pijp ‘afvoerbuis voor rook enz.’ in rook (van de locomotief) ... door de pijp [1857-58; WNT].
Ontleend, al dan niet via Fans pipe ‘buis voor vloeistof’ en ‘schalmei’ [beide ca. 1225; TLF], aan vulgair Latijn *pipa ‘blaasinstrument, schalmei, rietbuis’, een afleiding van Latijn pīpāre ‘sjirpen, kwelen, piepen’, een klanknabootsend woord. Hieruit ook Engels pipe ‘buis, fluit’, Duits Pfeife ‘pijp, fluit’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pijp [buis, rookgerei] {pipe, pijp [buis, herdersfluit] 1201-1250; als ‘rookgerei’ 1693} < middeleeuws latijn pipa [idem], van pipiare, pipire [piepen], een klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pijp znw. v., mnl. pīpe v. ‘pijp, buis; herdersfluit; rond en hol voorwerp als vruchtensteel, knot, kluwen; inhoudsmaat’, os. pīpa v. ‘fistola’, ohd. pfīfa, pfīffa ‘fistula, calamus’ (nhd. pfeife), ofri. pīpe ‘hol been’, oe. pīpe ‘muziekinstrument; holle buis’ (on. pīpa ‘buis, fluit’). — Het woord is zeer vroeg (vóór de hd. klankverschuiving en vóór de migratie der Angelen en Saksen) ontleend < vulg. lat. pīpa ‘schalmei’, dat zelf gevormd is uit lat. pīpāre ‘piepen van vogels’ (waarvoor zie: pijpen).

Het woord kon in de loop van tijd allerlei nieuwe betekenissen aannemen, zoals de tabakspijp, gang van een konijnehol, holle cylindervormige plooi in een halskraag, lak- of droppijp. — Over de verhouding van de vormen met î en ij in de dialecten zie L. Geenen, Taaltuin 6, 1937-8, 202-205. — Daar het germ. woord alleen de betekenissen van ‘buis’ en ‘fluit’ kent, wil H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 11 eerder denken aan een substraatwoord, mogelijk zelfs een zuiver klankwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pijp znw., mnl. pîpe v. “schalmei (e.a. instrumenten), buis (e.a. holle voorwerpen), langwerpig vat”. = ohd. pfîfa, pfîffa v. “fistula, calamus” (nhd. pfeife), os. pîpa v. “fistola” (holondarpîpa “sambuca”), ofri. pîpe v. “hol bot”, ags. pîpe v. “een soort muziekinstrument, holle buis” (eng. pipe), on. pîpa v. “id.”. De oorspr. bet. was “een soort muziekinstrument”, daarna in ’t algemeen “hol, buisvormig voorwerp”: ’t woord is ontleend uit rom. *pîpa, gevormd bij lat. pîpâre (zie pijpen). — Pijp “plooi van een muts” is ’t zelfde woord, bet. “rolvormige, buisvormige plooi”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pijp v., Mnl. pipe, gelijk Hgd. pfeife, Eng. pipe, Fr. id., uit Mlat. pipam (-a), verbaalabstr. van pipare: z. piepen. De eerste bet. was speeltuig om te pijpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

piep (zn.) pijp, rookgerei; Nuinederlands pijp <1693>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pypie s.nw.
Enigeen van verskeie inheemse plantsoorte.
Afleiding met -ie van pyp, so genoem omdat die plant 'n ooreenkoms toon met miniatuur, langsteel pypies. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1827 (Scholtz 1974).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1907).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pyp: hol voorwerp (bv. broekspyp), buis, bep. fluitinstrument, rookwerktuig, ens.; Ndl. pijp (Mnl. pyp/pipe), Hd. pfeife, Eng. pipe, uit Ll. pipa, verb. m. Lat. ww. pīpāre, “piep” (v. voëls), by Ndl. ww. pijpen.

pypie: 1. dim. v. pyp; 2. versk. blom- en pln. (o.a. spp. Antholyza, Gladiolus en Watsonia, vgl. Mar 66 en Scho PD 89).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Naar iemands pijpen dansen, alles doen wat iemand anders wil.

Het woord pijpen in deze uitdrukking betekent 'op de fluit spelen' zodat de uitdrukking letterlijk betekent: 'dansen op iemands fluitmuziek'. Een bijbelse herkomst is twijfelachtig; in de vorige eeuw werd het bijbels opgevat op basis van Lucas 7:32, 'Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: "Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, / toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren"' (NBV). In het hedendaags Nederlands is deze uitdrukking nog zeer frequent, maar de betekenis van pijpen wordt gewoonlijk niet meer begrepen en geïnterpreteerd als een zelfstandig naamwoord, wat kan blijken uit naar de pijpen van iemand dansen.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 7:32. Si zijn gelijc den kinderen die op die merct sitten, ende roepen tegen malcanderen, ende seggen, wi hebben v ghepepen ende ghi en hebt niet gedanst, wi hebben v geclaecht ende ghi en hebt niet geweent. (De Statenvertaling (1637) heeft op de fluyte gespeelt i.p.v. ghepepen.)
En zelfs nu ze al zestig jaar was, danste ze nog naar de pijpen van haar vroegere mevrouw. (N. Schuttevaêr-Velthuys, Wolken met zilveren randen, 1993, p. 51)
Lubbers weg naar de Eurotop werd afgesneden, omdat hij niet danste naar de pijpen van de bondskanselier, die de nieuwe Europese Centrale Bank perse in Frankfurt wilde. (Journaal, okt. 1994)
Als zijn vriend tegen iedereen zo hartelijk deed, kon hij zich kennelijk hoogstens in het negatieve onderscheiden: de enige die níét naar zijn pijpen danste. (P.F. Thomése, Heldenjaren, 1994, p. 78)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pijp (Romaans *pipa)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pijp. Alleen voor Den Haag genoteerd is de verwensing krijg een laffe vette pijp! Vgl. Bral e.a. (1998). Pijp betekent ook ‘mannelijk geslachtsorgaan’. De emotionele betekenis van de verwensing duidt op ergernis, teleurstelling, verachting en vergelijkbare emoties en kan weergegeven worden met ‘je kunt me wat, donder op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pijp ‘buis’ -> Zweeds pip ‘buis, tuit’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels pypie ‘benaming voor diverse planten met buisvormige bloemen’ ; Noord-Sotho phaepe ‘buis’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana peipi ‘buis’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho phaepe ‘buis’ (uit Afrikaans of Engels);? Atjehnees pipa ‘groot vat, waterton van een schip, buis, leiding’; Iban paip ‘buis’ (uit Nederlands of Engels); Menadonees pèip ‘pijp (op schip)’; Menadonees pipa ‘afvoer, houten ton’; Soendanees pipah ‘langwerpig vat; botervaatje, tonnetje’; Singalees payippa-ya ‘buis, waterpijp’; Papiaments peip ‘tuit van een kan, ketel of trekpot’; Sranantongo peipi, pipa ‘buis’; Surinaams-Javaans pèp ‘buis’.

pijp ‘rookgerei’ -> Deens pibe ‘rookgerei’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins piippu ‘rookpijp, schoorsteenpijp’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests piip ‘rookgerei’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho peipi ‘rookgerei’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe pipi ‘rookgerei’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho peipe ‘rookgerei’ (uit Afrikaans of Engels); Jakartaans-Maleis pipè ‘rookgerei’; Kupang-Maleis pipa ‘rookgerei’; Madoerees pipa ‘rookgerei’; Menadonees pèp ‘rookgerei’; Soendanees pipa ‘tabakspijp’; Singalees payippa-ya ‘tabakspijp’; Negerhollands pipe, pipa ‘rookgerei, tabakspijp’; Berbice-Nederlands pipa ‘rookgerei’; Sranantongo peipi ‘rookgerei’; Aucaans pipa ‘pijp; roken’; Saramakkaans pípa ‘rookgerei’; Arowaks paipa ‘rookgerei’ ; Karaïbisch paipa ‘rookgerei’ ; Sarnami pipá ‘soort marihuanapijp’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pipa ‘tabakspijp’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pijp buis 1240 [Bern.] <ME Latijn

pijp rookgerei 1693 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

pijp: de — is leeg, wielerslang voor ‘geen energie meer hebben; leeg zijn’.

Hij beschikt over een omvangrijk arsenaal van staande sportuitdrukkingen. Moeiteloos rolt het uit zijn mond: ‘zich voor de achtervolging melden’; ‘vanvoren formeren’; ‘de pijp ging langzaam leeg’; ‘wie o wie zal er tussenuit weten te muizen, zoals dat heet’; ‘hier wordt gereden, hier wordt een jasje uitgedaan’. (Elsevier, 22/08/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1823. Hij zal een leelijke pijp rooken,

d.w.z. hij zal iets onaangenaams ondervinden, er leelijk tegen aanloopen. Vgl. V. Janus III, 228; Harreb. II, 183: Hij zal een leelijke (slechte of vuile) pijp rooken; Schoolm. 156; Kent. 18: Ze zullen een leelijke pijp rooken! de oproermakers!; Het Volk, 28 Jan. 1914, p. 2 k. 1: De Heer Scheurer heeft een bittere pijp moeten rooken vandaag; Handelingen Stat.-Gen. 1913-1914, bl. 1731: Ik ben niet geheel vrij van de vrees, dat zij (de tabaksbelasting) den Minister en hen die achter hem staan een leelijke pijp zal doen rooken; Amstelv. 78: Alhoewel deze vereeniging 'n kwaje pijp heeft gerookt; Het Volk, 19 Juli 1913, p. 9 k. 2: Er zijn ook hooggeplaatste rookers, die, tegen wil en dank, hebben moeten trekken aan..... een zware pijp, door hun volk voor hen gestopt; 6 Juli 1914, p. 3 k. 2; Schuermans, 478: eene vuile pijp rooken, ergens slecht van afkomen; met iets eene pijpe rooken, schade lijdenDe Familiekring, no. 115, 101.; Tuerlinckx, 500: in pijp stoppe, eene groote moeilijkheid te overwinnen hebben; dije zal in pijp stoppen, as ter thuis komt, die zal bekeven worden; Antw. Idiot. 961; 1133: 'en vuile, 'en leelijke pijp smooren, het bezuren, kwalijk varen; Waasch Idiot. 518 b: er een pijp van stoppen, rooken, kwalijk met iets varen, zich er slecht mee bevinden; Rutten, 174 b: eene vuile pijp smoren, iets onaangenaams ondervinden; hij zal nog eene pijp stoppen, heel wat ondervinden, waarvoor men in de Kempen zegt hij zal er van stoppen (vgl. Waash Idiot. 633). In Groningen: 'n slechte piep rooken, slecht te pas komen, schade lijden (Molema, 387 a); in 't eng. put that in your pipe and smoke it, steek die in je zak. Te vergelijken is: een bittere pil moeten slikken; een harde noot kraken en dergelijke. Ook in het Friesch: hy smookt dêr in forkearde (ook in smoarge piip mei, hij beloopt schade met die onderneming; in Twente: ne smerige pîpe roaken. Vgl. in Zuid-Nederland: hij zal nog uit vuile lepels eten, zijne zaken zullen nog slecht afloopen; fr. il a bu un fameux bouillon, hij is door speculeeren zijn geld kwijt.

2696. (Aanv.) Looden pijpen, samen deelen

wordt gebezigd als iemand iets vindt of een buitenkansje heeft. Hij, die er getuige van is, roept dan deze woorden om te kennen te geven, dat hij er zijn aandeel in wil hebben. De zegswijze is een dievenuitdrukking. Vgl. Amsterdammer, 30 Mei 1925, p. 11: De kapers hadden er ('t oude pesthuis) vrij spel. Het was hoofdzakelijk het zware, in ontzaglijke hoeveelheden aanwezige lood, dat de nokken, dakvensters en goten van dit groote bouwwerk bedekte, hetwelk het ontgelden moest. Bij karvrachten werd het er vandaan gehaald. Lood stond bij deze heeren steeds in hoog aanzien. Vandaar het spreekwoord: Looie pijpen, samen deelen.

1824. Naar iemands pijp(en) dansen,

d.w.z. alles doen wat een ander begeert; iemands wil in ieder opzicht volgen; eig. zóó dansen als een ander voorfluit (vgl. Goedthals, 101: Men moet danssen naer dat de speelman wilt; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1320). De zegswijze wordt in de 16de eeuwIn proza van het laatst der I5de eeuw komt voor: Ende nadien dat sie (de pijpers van de ‘geestelike bruloft’) pijpen, sullen die bruden dansen ende treden. Hier hebben we nog niet met een spreekwijze te doen (Tijdschr. XLI, 129). aangetroffen bij Servilius, 229*: tMoet al dansen nae syn pypen (vgl. Bebel, 417; Prov. Comm. 557: nader pipen salmen dansen); Campen, 118: Wy moeten nu nae synen pypen dansen; Coornhert, 552 r: Die heeft machts ghenoegh om ons nae sijne moort-pijpe te doen dansen; Sartorius IV, 53: tMoet al na syn pijp dansen; I, 6, 6: Ghy danst niet als ghy pijpt; Anna Bijns, Refr. 124: Die niet en willen dansen nae Luthers pijpen; Marnix, Byenc.: Maer alle Concilien moeten de H. Kercke onderworpen wesen.... ende altydt na hare pijpen dansen; elders: Of het Bier na de woorden, ende na de pijpe der Transsubstantiatie soo wel soude konnen dansen.... als de WijnAangehaald in Taal en Letteren II, 75.; Van Vloten, Geschiedzangen I, 122: Na sulken pijpe en woudense niet dansen; Tijdschr. XXI, 108: Wy moeten al nae haer pypen springhen, haer sancksken singhen; Hooft, Brieven, 384: Naar hunne pijp doen dansen; Huygens VI, 33: 't Is wonder dat de Franssen ons oock al slaepende naer haere pyp doen danssen; bl. 20: Speellieden, die u selfs doen naer haer' pijpen danssen; Van Effen, Spect. I, 141: Moet ik naar hare pypen, of zy naar de myne danssen?; II, 142: 't Een of 't ander canailleus wyf dat 't geheele huisgezin naar haar pypen doet danssen; C. Wildsch. III, 20; Harreb. III, 15; Ndl. Wdb. III, 2288; Krat. 187; Nkr. V, 24 Juni p. 6; VI, 15 Juni p. 6; Nest. 105; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (avondbl.), bl. 1 k. 3: Haar (de Democratie) volkswil kwam achter de deur bij den bezemstok en zij mocht dansen naar het pijpen der Parijsche Jacobijnen; S. en S. 42; Zoek. 63: Nou dansten ze naar de pijpen van de vrouwen: enz. Uit al deze voorbeelden blijkt overtuigend, dat men in ‘pijpen’ evengoed het meerv. van het znw. kan zien, als de onbepaalde wijs van het werkwoord; beide opvattingen golden vroeger, en ook thans is het niet uit te maken, welke van beide bedoeld wordt, ofschoon men vrij algemeen er den infinitief in gevoelt. Zie Ndl. Wdb. XII, 1698; 1741. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 83; Antw. Idiot. 330: dansen gelijk er gefloten wordtVgl. Matth. XI, 17: Wy hebben u op de fluyte gespeelt, ende ghy en hebt niet gedanst.; Waasch Idiot. 161 a: dansen gelijk iemand schuifelt; 518 b: naar iemands pijpen dansen; Teirl. 250: op iemand zijn schuifelke, zijn fluitse dansen; ook dansen gelijk iemand schuifelt, fluit; vgl. verder het hd. nach jemandes Pfeife, Geige tanzen; oostfri.: na andermans pîpen dansen; eng. to dance to (or after) a person's pipe, piping, whistle, tune(s); fr. aller aux flûtes de qqn; het Friesch: nei immens pipen dounsje. Zie verder Huydecoper, Proeve I, 370-375, die ook vermeldt Jan Zoet, 42: Ieder moest zijn deuntje zingen, ieder danssen naar zijn fluit.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut