Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pijl - (werptuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pijl zn. ‘projectiel voor een boog; pijlvormig teken’
Mnl. pile, pijl ‘projectiel voor een boog’, eerst in samenstelling in de toenaam van Baldeuino Piliser ‘pijlijzer, pijlpunt’ [1204; Debrabandere 2003] en in de toenaam van Wouter Pile [1227; GN], dan het zn. in scoten ... pile ‘schoten pijlen’ [1340-60; MNW-R], alse een pijl uut enen boghe ‘als een pijl uit een boog’ [1350; MNW-R]; vnnl. pijl ‘iets wat als een pijl wordt weggeschoten’ in samenstellingen als vuerpijlen [1522; WNT vuurpijl], pijl ‘afbeelding van een pijl’ in een hart ... met een pijl [1622; WNT], overdrachtelijk in verscheide pijlen tot zijn' boog ... hebben ‘verschillende middelen hebben om zijn doel te bereiken’ [1638; WNT]; nnl. pijl ook ‘pijlvormig teken’ in pijltje ... om eene richting aan te duiden [1893; WNT].
Vroege ontlening aan Latijn pīlum ‘werpspies; stamper’; de Oudhoogduitse vorm pfīl vertoont de tweede of Hoogduitse klankverschuiving, waaruit blijkt dat het woord in de Germaanse talen ontleend is voor de 6e eeuw.
Os. pīl; ohd. pfīl (nhd. Pfeil); oe. pīl ‘puntig voorwerp’ (ne. pile); laat-on. píla (nzw. pil).
Latijn pīlum is verwant met het werkwoord pīnsere ‘stoten, stampen, fijnstampen’, en verder met: Grieks ptíssein ‘vertrappen, vermorzelen’; Sanskrit pináṣṭi ‘hij stampt, vermorzelt’; Oudkerkslavisch pĭchnǫti ‘stampen’ (Russisch pichnút' ‘porren, beuken’); bij de wortel pie. *peis- ‘vermalen, vermorzelen’ (LIV 466).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pijl [staaf met scherpe punt] {pile, pijl 1373-1376} oudsaksisch, oudengels pil, oudhoogduits pfil < latijn pilum [werpspies], verwant met pila [pilaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pijl znw. m., mnl. pijl, pîle m., evenals os. pīl, ohd. pfīl (nhd. pfeil), ‘pijl’, oe. pīl ‘puntig voorwerp’ (ne. pile) een vroege ontlening reeds in de Romeinse tijd, althans voor de hd. klankverschuiving van lat. pīlum ‘werpspies’. — > amerik.-eng. pile (vgl. J.E. Neumann JEGPH 44, 1945, 275). In het On. komt pīla eerst laat op als leenwoord uit het mnd. — - Het germ. woord voor ‘pijl’ is *arhwō vgl. oe. earh, on. ǫr, met de afl. got. arhwazna en dat verder te vergelijken is met lat. arcus ‘boog’. — Zie ook: straal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pijl znw., mnl. pijl (pîle) m. =ohd. pfîl (nhd. pfeil) m. “pijl”, os. pîl m. “id.”, ags. pîl m. “puntig voorwerp” (eng. pile), laat-on. pîla v. “pijl, scherpe punt”. Vroege ontl. uit lat. pîlum “werpspies”. Een echt-germ. woord voor “pijl” is on. ǫr, ags. earh v. (eng. arrow uit ’t Noorsch), got. arhwazna v., verwant met lat. arcus “boog”. Zie ook straal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pijl 1 m. (schicht), Mnl. id., gelijk Hgd. pfeil, Eng. pile, On. píla, uit Lat. pilum. — Van Lat. pila komen Fr. en Eng. pile = staak (z. pilaar).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pyl s.nw.
1. Skerp gepunte staaf wat met 'n boog afgeskiet word. 2. Teken met die vorm van 'n pyl (1pyl 1) wat rigting aandui.
Uit Ndl. pijl (al Mnl.).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pijl (de, -en), (ook:) ros, d.i. de tophalm van een suikerrietstengel waaraan de bloeiaar. Deze pijlen, die eene menigte sappen tot zich trekken, vertoonen zich vooral in den grooten droogen* tijd, en beduiden niet veel goeds, vooral wanneer het riet* nog niet volwassen is, doordien hetzelve na de pijlzetting niet meer groeit (Teenstra 1835 I: 195). - Etym.: Moet wellicht opgevat worden als korte vorm van keenpijl* (syn.). In Brabant en België kan ’pijl’ betekenen: halm (van gras e.d. planten). Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 63. - Syn. ook keentop* (meer alg.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pyl: skag wat m. ’n boog afgeskiet word; Ndl. pijl (Mnl. pijl/pile), Hd. pfeil, Eng. pile, uit Lat. pilum, “werpspies”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pijl (Latijn pilum)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pijl, van ’t Lat. pilum = pijl, werpspies.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pijl ‘projectiel voor een boog’ ->? Kupang-Maleis peil ‘mikken’;? Rotinees pei ‘mikken’; Creools-Portugees (Ceylon) pyl ‘projectiel voor een boog’; Amerikaans-Engels † pile ‘projectiel voor een boog’; Negerhollands peil ‘projectiel voor een boog’; Berbice-Nederlands pili ‘projectiel voor een boog’; Skepi-Nederlands pilǝ ‘projectiel voor een boog’; Sranantongo peiri (ouder: peil) ‘projectiel voor een boog’; Surinaams-Javaans péri ‘projectiel voor een boog’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pijl projectiel voor een boog 1373-1376 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

297. Verschillende pijlen op zijn boog hebben,

d.w.z. verschillende middelen hebben om zijn doel te ‘beschieten’ en daardoor in zijne macht te krijgen, zijn doel te bereiken; gewoonlijk om iemand te overreden of te overtuigen. Vroeger zeide men ook twee pesen op eenen boghe hebben (Idinau, 222; Harreb. I, 76 b) of twee (vele) snaren op (tot) sinen boogh hebben; dial. meer dan een koord op zijn boog hebben. In Hooft's Brieven, 135 treffen wij aan: Ik heb noch eenen anderen pijl op mijnen boog; bl. 444: In allen gevalle waar 't goedt, verscheide pijlen tot zijn' boog te hebben (zoo ook bij Vondel, Bat. Gebr. 678); Smetius, 68: Hij leyt op twee anckers, hij heeft twee pijlen op sijnen boge; Pers, 608 a; 665 b; Paffenr. 126; Van Effen, Spectator VI, 242 schrijft: Hij moet nog veel pylen op zyn koker hebben. In het Vlaamsch zegt men thans nog Verscheidene pezen aan zijn boog hebben, maar ook veel (of nog andere) pijlen in zijn koker hebben (Joos, 94 en 82; Waasch Idiot. 361 a). Eindelijk kan nog vergeleken worden de synonieme 17de-eeuwsche uitdr. Hij heeft twee messen op zijn' schee (Huygens VI, 36). Zie verder Ndl. Wdb. III, 387; Wander I, 424; IV, 514 en vgl. fr. avoir plusieurs cordes à son arc; avoir plus d'une flêche dans son carquois; hd. mehrere Sehnen an seinem Bogen haben; eng. to have several (or two) strings to one's bow; fri. hy het wol pilen op 'e koker, hij is kundig en wel bespraakt.

1295. Hij heeft al zijn kruit verschoten,

d.w.z. hij heeft al zijne krachten verbruikt, verspild; eene sedert de 17de eeuw voorkomende uitdrukking; zie Winschooten, 128; Hooft, Ged. I, 286 (in eig. zin), en vgl. Halma, 293: Hij heeft al zijn kruid verschoten, alle zijne kragten gespild, il a consumé toutes ses forces. Synoniem is de uitdr. al zijne pijlen zijn verschoten, hij weet niets meer te zeggen (Van Dale), hij heeft zijn laatste bom afgeschoten (Harreb. III, CXV); zijn laatste patronen verschieten (Maasbode, 30 Jan. 1914, avondbl. p. 5 k. 2). Ook in het Friesch: hy het syn krûd of syn pylken forsketten; in het hd. sein Pulver oder seine Bolzen verschossen haben; eng. to have shot one's bolt; fr. avoir épuisé son carquois (pijlkoker). In Antw. hij heeft al zijn poeder verschoten (Joos, 98).(Aanv.) Vgl. fr. avoir tiré sa dernière cartouche.

1821. Hij heeft al zijne pijlen verschoten,

d.w.z. hij heeft al zijne krachten verbruikt, hij weet niets meer te zeggen. Zie Tuinman II, 120: Men moet al zyn pylen niet 's evens verschieten. Die dat doen, zyn daar na weerloos; Halma, 503: Al zijne pijlen zijn verschooten, hij heeft alle zijne redenen bijgebragt, il a dit ce qu'il avoit à dire, il ne sauroit rien dire davantage, il est au bout de son rollet; Sewel, 655: Al zyn pylen zyn verschooten, hij heeft al zyn gal uitgebraakt. Vgl. Ndl. Wdb. XII, 1614; no. 1295 en het fri.: hy het wol pillen op 'e koker, hij is kundig en welbespraakt; hy het syn pylken forsketten, zijn kruit verschoten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut