Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pij - (bovenkleed van kloosterlingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pij zn. ‘bovenkleed van kloosterlingen’
Mnl. in de samenstelling seepie ‘kledingstuk van grove wollen stof’ in Dese knecht ... sach dat hi dye zeepye of roc ansloech ende om hem dede ‘deze jongeman zag dat hij de pij of mantel aandeed en om zich heen trok’ [1481; MNW]; vnnl. pij(e) ‘grove wollen stof, kledingstuk van deze stof’ in pije oft schippers pije ‘zeemanskleding’ [1573; Thes.], pije, pije-laecken [1599; Kil.], later vooral ‘monnikshabijt’ [1696; WNT].
Herkomst onbekend. De oudste vindplaats duidt op herkomst uit de zeemanstaal. Er bestaat ook Engels pee ‘soort jas’ [16e eeuw], maar dat lijkt uit het Nederlands te stammen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pij [habijt] {pie, pij [kledingstuk van grove wollen stof, vooral van zeelieden] 1481} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pij znw. v., laat-mnl. pîe v. ‘schippersjas’ is een woord uit de zeemanstaal, dat niet verklaard is. In het eng. van de 16de eeuw komt pee ‘soort jas’ voor, maar dit staat sterk onder de verdenking aan het nnl. ontleend te zijn. Uit een verbinding korte pie is ontleend me. courtpye (1330) vgl. Toll 51.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pij znw., laat-mnl. pîe v., voor een schippers-jas gebruikt. Oorsprong onzeker. Ouder-eng. pee “een soort jas” (vooral 16. eeuw) komt misschien uit ’t Ndl. Een grondvorm *pîde, ablautend met ohd. pfeit, os. pêda, ags. pâd, got. paida v. “hemd, jas, mantel”, gr. (thrac.) baítē “herderskleed”, is niet aannemelijk, aangezien elders geen î-trap voorkomt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pij v., Mnl. pie + Ndd. pije, pigge, Oostfri. , , pêje: oorspr. onbek. Niet hetz. als Os. pêda + Ohd. pfeit, Ags. pád, Go. paida + Gr. baítē.

pijjekker m., + Eng. peajacket: het tweede lid behoort bij jak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

py [+]: skippersbaadjie; Ndl. pij (Mnl. pīe/pije, by vRieb peyen en baytjens, pijen en baeytjes), Eng. het courtepy (14e eeu) en pee (15e eeu) in bet. “coat of coarse woollen stuff”, maar daar bestaan twyfel daaraan of Ndl. korte pīe en pīe daaraan ontln. is of andersom; die wd. hoort tuis by d. 17e-eeuse seemt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pij ‘kledingstuk van grove wollen stof (tegenwoordig vooral van monniken)’ -> Engels † pee ‘middeleeuws kledingstuk van grove wollen stof’; Schots † pee; pey, pye ‘soort jas’; Duits dialect † Pij, Pei, Pii ‘grof doek; onderrok of jas uit deze stof; handschoen uit grove wollen stof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pij kledingstuk van grove wollen stof (tegenwoordig vooral van monniken) 1481 [MNW] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut