Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pietlut - (kleingeestig mens)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pietlut [kleingeestig mens] {1892} gevormd van Piet + lut [sul].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pietlut znw. m. v. en de afl. pietluttig zullen wel samengesteld zijn uit de PN en het woord lut ‘kleinigheid’ (waarvoor zie: luttel); zo heet immers degeen, die op alle kleinigheden let.

Ondanks de Bijbelvastheid onzer voorvaderen is er toch weinig aanleiding hier te herinneren aan de beide landnamen Put en Lud in Ezechiel 30, 5 ook al vinden wij een bijvorm putluttig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pietlut znw. Kan een dubbelen oorsprong hebben: wij kunnen tegelijk van de twee landnamen Put en Lud in Ezechiel 30, 5 en van Piet(je) lut uitgaan en in dit laatste lut het overigens dial. lut, achterh. lüt “klein, kleinigheid” (bij luttel) of — minder wsch. — vla. lutte “zuigdotje” (ook bij luttel hoorend?) zien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pietlut m., het tweede lid is lutte.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pietlut: kleingeestig iemand. Volgens de meeste etymologen gaat het om een samenstelling van de eigennaam Piet en een tweede lid lut, dat niet alleen ‘klein’ (van ‘luttel’) betekent, maar ook ‘sul’. Volgens Harrebomée heeft het woord echter een bijbelse oorsprong. In de bijbeltekst Ezechiël 30:5 lezen we het volgende: ‘Ethiopië, Put, Lud, heel de gemengde bevolking, Kub en de zonen van het met hen verbonden land zullen met hen door het zwaard vallen.’ Deze etymologie wordt eveneens aangehangen door het WNT. Een oudere variant van het woord is putlut.

Zij vinden een architect een pietlut met een zeer begrensd gemoed. (De Groene Amsterdammer, 26/05/1901)
Dat is iets voor Julie om te zeggen, maar ik kan niet helpen, dat ik me zoo voelde. En vroeger ben ik toch nooit zoo’n pietlut geweest. (Cissy van Marxveldt, De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul, 1919)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pietlut kleingeestig mens 1892 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1818. Pietlut hebben,

ook putlut hebben, d.i. koude drukte, onnoodige beweging hebben (Bouman, 80); Harreb. II, 31: Hij heeft vrij wat Piet Lut op zijn lijf. Een Pietlut, een kleingeestig, overprecies mensch; soms ook een kleinzeerig man. Vgl. Nw. School, III, 162: Zwetsers, charlatans, prullen, pietlutten, stakkers; Speenhoff II, 61: Meneer Piet Lut als vrijgezel, had een aardig meissie; Amst. 113: Heer in den Hemel! wat 'n putlut! schreeuwt Jans; Ndl. Wdb. XII, 1596. Misschien moeten we in putlut eene vereeniging zien van put en lut, twee namen van landen, die voorkomen in Ezechiel XXX, 5: Morenlant ende Put ende Lud, ende al den gemengden hoop ende Cub, enz. De voorlezing van dit bijbelvers heeft iets druks, iets van een oploop, en geeft toch niet veel voor den hoorder en kan aanleiding hebben gegeven tot de vorming van putlut hebbenLaurillard, 22-23; Nav. XXII, 279-280; Woordenschat, 960 en Harreb. II, 31 a; III, CL. en 't bnw. putluttig. Later is 't woord door misverstand in verband gebracht met den mansnaam Piet, waardoor de vormen Pietluttig en Pietlut ontstonden; vgl. parlesanten, poeha (no. 1846) en het fr. brouhaha. Pietlut kan als eene verwarring beschouwd worden met eene andere beteekenis, die dit woord heeft, nl. die van sukkel, krentekakker, kleingeestig man. Ook een Pietlutter of Pietjelut (in Sprotje II, 19; Nw. School, IV, 132; V, 91), wellicht met bijgedachte aan een kleine (= kleinzeerige) Piet (vgl. dial. lut, achterh. lüt, kleinZie Taal en Letteren II, 107., waarnaast pietluttig (o.a. Het Volk, 15 Mei 1914, p. 1 k. 1; Amsterdammer, 15 April 1914, p. 12 k. 3; Nw. Amsterdammer, 2 Januari 1915, p. 2 k. 3; Gunnink, 185), putluttig (fri. ook puttig), kleinzeerig, kleingeestig, vitziek, lichtgeraakt; pietlutterig (Nw. School, IV, 101: pietlutterige kleinigheden; VI, 264); pietluttigheid (ín O.K. 36; Het Volk, 19 Dec. 1913, p. 1 k. 4; 15 Sept. 1914, p. 1 k. 2: Het is nu ernst, en door den ernst raken we onze pietluttigheden kwijt), of pietlutterigheid (in Nw. School, V, 380) naast lutteputtigheid (in Kmz. 233). Syn. is pietepeuterig (Het Volk, 13 Maart 1914, p. 1 k. 3; 14 April 1914, p. 6 k. 1) of pieterig (Boekenoogen, 748; Het Volk, 10 Dec. 1914, p. 6 k. 4: Het gezochte, pieterigpolitieke, alle uitwerking missende debat). Zie Ndl. Wdb. XII, 1584; 1591.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut