Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pieremachochel - (logge vrouw)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pieremachochel [logge vrouw, aftandse zeilboot] {pieremachochje spelen [gemeenschap hebben] 1720, pieremachochel [logge vrouw, aftandse boot] 1926-1950} het eerste lid is van pieren [spelen] (vgl. pierement), voor het tweede vgl. machache(l) [logge vrouw] {1599} vgl. westvlaams machoche(l), niet onmogelijk < spaans muchacha [vrouw] (dan ingevoerd door de Spaanse troepen eind 16e eeuw!). De vergelijking tussen vrouw en boot komt vaker voor, bv. in gondel, fregat, slagschip.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pieremachochel, pieremegoggel: (Bargoens) lompe, logge, lelijke vrouw. Tegenwoordig vooral gekend in de betekenis van ‘gammel huurbootje’. Endt (1974) ziet er een samenstelling in van pieren (foppen; spelen) en een verbastering van het Spaanse muchacha (meisje, vrouw). Dit laatste lijkt, niet alleen naar betekenis maar ook naar vorm, op het Bargoense woord mokkel. Kiliaen (eind zestiende eeuw) vermeldt machache, machachel al in de betekenis van ‘zwaar en log vrouwmens’. Kijk verder onder machochel*. In de jeugdtaal van eind vorige eeuw komt pieremegoggel ook voor in de zin van ‘raar kereltje’ (zie Laps). Iemand in de pieremegoggel hebben betekent ‘iemand in de gaten hebben’. Deze uitdrukking vinden we bijvoorbeeld terug bij J. Feith (Het verhaal van den dief, 1909): ‘Nou, je begrijpt… je kent ze die dienstkloppers!… in de Warmoesstraat hadde ze ons al in de pieremegoggel.’ Het werkwoord pieremagoochelen betekent zowel ‘foppen’ als ‘copuleren’.

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

pieremachochel, olipodriga, commando

De contacten tussen de Nederlanden en Spanje waren gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) het intensiefst. Deze oorlog ligt al zo ver achter ons, dat beide partijen hun oud zeer inmiddels vergeten zijn en we er hier dus vrijuit over kunnen spreken. Overigens wordt deze oorlog tegenwoordig onder de invloed van buitenlandse historici correcter betiteld als de (Nederlandse) Opstand, omdat noch het begin noch het einde zo precies zijn aan te wijzen als de bovengenoemde jaartallen suggereren, waardoor de duur van tachtig jaar betwistbaar is, en omdat het aanvankelijk een opstand van rebellen tegen de wettige vorst, Filips ii, betrof. Of deze periode uiteindelijk op de credit- of de debetzijde van de geschiedenis bijgeschreven moet worden, moet ieder voor zich uitmaken. Ons interesseert vooral de vraag of deze periode in taalkundig opzicht blijvend verrijkend heeft gewerkt.

Dat blijkt nogal tegen te vallen, hoewel het bestand groter is dan professor P.J. Veth in 1889 suggereerde, toen hij beweerde ‘dat wij in onze taal geen enkel woord hebben, dat onze voorouders vóór of gedurende onzen vrijheidsoorlog van de gehate Spanjaarden hebben overgenomen.’ De grootste invloed ondervonden de Zuidelijke Nederlanden, die door de Spanjaarden bezet waren. De bijnaam sinjoor voor een Antwerpenaar, uit Spaans señor, en sinjorenstad voor Antwerpen stammen hier nog van. Deze spotnaam verwees waarschijnlijk ‘naar de zucht der rijke Antwerpenaars ten tijde van Filips ii, om zoowel door kleeding als andere middelen den Spaanschen sennor uit te hangen’, zoals een lexicograaf het in 1899 omschreef. Ter verduidelijking voegde hij toe: ‘Bredero’s Jonker Ierolimo Rodrigo (in zijn Spaanschen Brabander) is een “sinjoor” van dat slag.’

Het jammer genoeg in onbruik geraakte parlesanten ‘vloeken’ (ca. 1655) gaat waarschijnlijk terug op Spaans por/par los santos ‘bij de heiligen (zeggen)’. Een babbelaar wordt in Vlaamse dialecten wel ablador of habladoor genoemd. Het woord is in een dialectwoordenboek uit 1900 opgenomen. De herkomst is duidelijk: Spaans hablador ‘spreker’, van hablar ‘spreken’.

Het tweede deel van pieremegoggel, pieremachochel ‘lelijke vrouw, gammele boot’ zal waarschijnlijk Spaans muchacha ‘vrouw, meisje’ zijn, dat we van de Spaanse troepen overgenomen hebben; het eerste deel is pieren ‘spelen’, vergelijk pierement. De vorm pieremachochel is pas in deze eeuw in de woordenboeken aangetroffen, maar reeds in 1720 noemt het Woordenboek der Nederlandsche Taal de uitdrukking pieremachochje spelen voor ‘gemeenschap hebben’. Cornelis Kiliaan, de schrijver van het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands, noemde in 1599 de vormen machache, machachel voor een zware, logge vrouw. In Brabant noemde men zo iemand volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1913 nog machochel, machoechel en masjoefel. De vormen met -ch- zijn misschien beïnvloed door de bijbelse namen Gog en Magog, genoemd in Ezechiël 38:2: ‘Mensenkind, richt uw aangezicht tegen Gog in het land Magog [...]’. De jonge betekenisovergang van ‘vrouw’ naar ‘boot’ komt vooral in West-Nederland voor en is, volgens het Bargoens woordenboek van Endt, ‘zeer freudiaans verklaarbaar’. De mannelijke Spaanse vorm muchacho ‘jongen, bediende’ kwam in de Spaanse tijd vooral in Zuid-Nederland regelmatig voor, onder andere in de spelling moeschaatje.

De Spaanse hutspot speelde volgens de legende een belangrijke rol bij het ontzet van Leiden op 3 oktober 1574. De Leidse weesjongen Cornelis Joppens zou, aangetrokken door de geur, op de ‘Schansse van Lammen’ (het huidige Lammenschans) in een verlaten legerkamp van de Spanjaarden een nog warme pot met Spaanse hutspot ofwel olipodigro gevonden hebben, wat het bewijs was dat de Spanjaarden gevlucht waren en Leiden dus bevrijd was. Toen dit bekend werd, brachten platboomde schuiten onmiddellijk wittebrood en haring naar de uitgehongerde burgers, en tot op de dag van vandaag wordt het ontzet dan ook jaarlijks gevierd met het nuttigen van wittebrood, haring en hutspot. De huidige hutspot smaakt echter heel anders dan die uit 1574, omdat aardappelen tegenwoordig een hoofdbestanddeel zijn. De aardappel is in de zestiende eeuw uit Amerika gekomen, maar werd pas eind zeventiende eeuw, begin achttiende eeuw volksvoedsel. De volmaakte Hollandsche Keuken-Meid uit 1746 noemde in het recept voor olipodrigo de aardappel nog niet als ingrediënt.

De correcte Spaanse vorm olla podrida wordt voor het eerst in een Nederlandse tekst van omstreeks 1830 vermeld. Olla podrida betekent letterlijk ‘verrotte, gestoofde pot’; het Franse potpourri ‘mengelmoes’ is hiervan een letterlijke vertaling: pot betekent ‘pot’ en pourri betekent ‘verrot, bedorven, vergaan’. Het gerecht werd zo genoemd, omdat er allerlei restjes in werden verwerkt die soms al enigszins bedorven waren. In het Frans heeft potpourri een letterlijke en een figuurlijke betekenis, maar wij hebben alleen de figuurlijke betekenis overgenomen, vooral als muziekterm.

De verbasterde vorm olipodrigo wordt al in 1654, net na de Tachtigjarige Oorlog, genoemd en wel in de boektitel De Olipodrigo bestaande in vrolijke Gezangen, Kusjes, Rondeeltjes, Levertjes, Bruilofs- en Mengel-rijmpjes; [...] in een Schotel çierlik opgedischt; in hetzelfde jaar verscheen het tweede deel, zijnde een Banket of Nagerecht van allerley snaakachtig Rijmtuig. De formulering maakt duidelijk, dat het woord toen een dubbele betekenis van ‘gerecht’ en ‘mengelmoes’ had. Tegenwoordig is er een betekenisverschil opgetreden tussen olla podrida en olipodrigo — het eerste wordt zowel voor ‘mengsel van spijzen’ als figuurlijk voor ‘mengelmoes’ gebruikt, het laatste komt alleen in figuurlijke betekenis voor. In het Spaans heeft olla podrida geen figuurlijke betekenis.

In het Spaans bestaat naast de vorm olla podrida ook de verkorte vorm olla ‘stoofgerecht’. Ook die is in het Nederlands overgenomen. Een kookboek uit 1795 geeft het recept voor een ullie: ‘Men neemt eerst eenig Tuin-gewasch, als geele Wortelen, Raapen, Bloem- en Savoyenkool [...]; dan moet men ook een paar Varkens-snuiten en Ooren vooraf koken [...]’. Als bindmiddel en in plaats van aardappelen gebruikte men ‘bruin meel’.

Alles wijst erop dat woorden als parlesanten, pieremachochel, olipodrigo door mondeling contact tussen het leger en de bevolking zijn overgenomen: het zijn typische spreektaalwoorden, en de klank is in de volksmond aangepast. Maar ook de legertop had contact. Dit heeft in het Nederlands een paar militaire termen opgeleverd: armada (1588), commando en majoor (1571 als titel van een Spaans officier, 1624 als rang in het Nederlandse leger). Vooral commando heeft vervolgens een hele weg doorlopen, zorgvuldig beschreven door de Vlaamse taalkundige Jan Grauls.

Commando betekent ‘bevel’, ‘militaire order’ en ‘afdeling troepen waarover men het bevel voert’. In het Spaans wordt het met één m geschreven: comando. In het Nederlands is het voor het eerst in 1652 genoteerd, en wel in de betekenis ‘afdeling troepen waarover men bevel voert’. Toen de Nederlanders vanaf 1652 naar Zuid-Afrika trokken, namen ze het woord commando mee. Vroeger werd wel beweerd dat we commando in Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlogen uit het Portugees geleend hebben, maar dat is dus onjuist, want het woord bestond al in het Nederlands voordat de Nederlanders naar Zuid-Afrika gingen.

De Engelsen kwamen in Zuid-Afrika onzacht in aanraking met de Nederlandse kolonisten: in 1795 werd Zuid-Afrika door de Engelsen bezet en na het nodige getouwtrek ging het in 1814 definitief in Engelse handen over. De Boeren begonnen aan een Grote Trek, die hen buiten de Engelse jurisdictie bracht, maar dit lieten de Engelsen niet op zich zitten. De zogenaamde Boerenoorlogen in 1880-1881 en 1899-1902 waren het antwoord van de kolonisten op de verovering door de Engelsen van hun gebied. De Boeren noemden hun tactische militaire eenheid kommando en de Engelsen namen dit woord van hen over, voor het eerst in 1791. De volwassen mannelijke Boeren moesten verplicht in dienst, in het Afrikaans op (die) kommando. In het Engels werd dit in 1824 geleend als on commando ‘in dienst, bij het leger’. De lichte Zuid-Afrikaanse troepenafdelingen brachten de Engelsen grote verliezen toe en hun naam werd dan ook algemeen bekend, ook in het moederland Groot-Brittannië.

Toen de Tweede Boerenoorlog in 1899 uitbrak, zond de Morning Post de 25-jarige Winston Churchill als oorlogscorrespondent naar Zuid-Afrika. Hij leerde daar de kracht van de tactische eenheden kennen. Die kennis bracht hij later in praktijk. In 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, richtte hij lichte eenheden met speciaal getrainde vrijwilligers op die hij commandos noemde en die dienden om speciale acties uit te voeren. Churchill schreef hierover: ‘Plans should be studied to land secretly by night on the islands and kill or capture the invaders. This is exactly one of the exploits for which the Commandos would be suited.’

Nog tijdens de oorlog riepen verschillende andere landen commando’s in het leven, waaronder België, Nederland en Frankrijk. Het woord commando kenden ze meestal al, maar dat kreeg er nu een nieuwe betekenis bij uit het Engels. En zo heeft het Spaanse woord via het Nederlands het Engels bereikt, daar een nieuwe betekenis gekregen en vervolgens zijn weg naar andere talen en weer terug naar het Nederlands gevonden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pieremachochel logge vrouw 1931 [WNT z.j.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut