Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pier - (havendam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pier 2 zn. ‘in zee stekende havendam’
Vnnl. pier, piere ‘strekdam, havenhoofd’ in een piere, ofte afstekent hooft daer d'inwoonders haer visschers barcken onder legghen ‘een pier of uitstekend hoofd waar de inwoners hun vissersschepen aan afmeren’ [1584; Van der Meulen 1954]; nnl. pier ‘strekdam, landhoofd’ [1893; Toll.], in de samenstelling wandelpier ‘stenen hoofd in zee voor wandelaars’ [1898; WNT wandelen], de halve wering is weggeslage ... de pier staat onder [1900; WNT wering].
Vnnl. pier, piere is wrsch. ontleend aan Oudfrans (Picardisch) pire, piere ‘landhoofd, waterkering’, dat wellicht teruggaat op vulgair Latijn *petricus, een afleiding van Latijn petra ‘steen’, zie → petroleum. Nnl. pier is ontleend aan Engels pier [1677; OED], ouder pere ‘havenhoofd, strekdam; pijler van brug of steiger’ [1453; OED], eerder al pera ‘brugpijler’ [ca. 1150; OED], waarvan de herkomst onduidelijk is: ontlening aan het Oudfrans is gezien de betekenis zeker mogelijk, maar met het oog op de vorm minder waarschijnlijk (OED, TLF); misschien is er sprake van een latinisering van de Oudfranse vorm (BDE).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pier2 [havendam] {1893} < engels pier [steunpunt van een brug] < noordfrans piere < middeleeuws latijn pera [brugpijler, havendam], dat misschien teruggaat op latijn petra < grieks petra [rotsblok]. Al eerder, in 1584, kwam de vorm piere [landhoofd] voor, die geleend was < oudfrans pi(e)re, dat teruggaat op hetzelfde me. lat. woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pier 2 znw. m. ‘stenen landhoofd’, late ontlening < ne. pier, waarvan de afl. niet vaststaat. Men heeft gedacht aan fra. pierre < lat. petra ‘steen’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† pier II znw. (golfbreker, wandelhoofd). Evenals hd. pier m. een jonge ontl. uit eng. pier, waarvan de afl. niet vaststaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pier 2 v. (dam), uit Eng. id., van Fr. pierre: z. peterselie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pier II: landhoof aan seefront; Ndl. pier (19e eeu) ontln. aan Eng. pier; herk. uit Fr. pierre uit Lat. petra, “klip”, word in twyfel getrek; v. ook perron.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pier (Engels pier)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pier (steenen dam in zee) van ’t Fr. pierre = steen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pier ‘havendam’ -> Indonesisch pir ‘havendam’; Papiaments pir ‘havendam, houten vlonder, aanlegsteiger’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pier havendam 1893 [Toll.] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut