Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pier - (worm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pier 1 zn. ‘aardworm (Lumbricis terrestris)’
Mnl. pier ‘aardworm’ in soo fier als ene hinne op enen pier ‘zo trots als een hen op een pier’ [ca. 1410; MNW], ook ‘ingewandsworm’ in Dit looc is goet voor die pier ‘dit look is goed tegen de wormen’ [1400-50; MNW], pijr [1477; Teuth.], pierwormen die in deerde ligghen ‘pieren die in de grond zitten’ [1480-1500; MNW-P].
Wrsch. hetzelfde woord als de mansnaam Pier ‘Pieter’, die ontleend is aan een Picardische variant van Frans Pierre ‘Pieter’ (Tavernier-Vereecken 1950). In de Middelnederlandse periode kwam het verspreidingsgebied van deze mansnaam (de Lage Landen en het westelijk deel van Neder-Duitsland) ongeveer overeen met dat van pier ‘aardworm’.
Mnd. pīr ‘aardworm’. Bovendien ook in Brandenburg en omgeving pier ‘aardworm’, dat door Nederlandse kolonisten in de 12e eeuw is ingevoerd.
Lit.: C. Tavernier-Vereecken (1950), ‘Diersoortnamen van mensennamen afgeleid: garnaal, wulk, pier, vlinder’, in: HCTD 24, 33-64, hier 54-56

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pier1* [worm] {1401-1450} fries pier, middelnederduits pir; mogelijk verwant aan noors dial. piren [dun, smal, zwak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pier 1 znw. m. ‘aardworm’, mnl. pier, mnd. pīr (daarnaast ook pērink), fri. pier. Het woord is hoofdzakelijk nnl. met de aangrenzende gebieden van Neder-Duitsland. Waar het woord in Brandenburg en aangrenzende streken voorkomt (met afl. als piermade, pieraas, pierworm) is het daarheen door nl. kolonisten gebracht (vgl. Teuchert, Sprachreste 1944, 361 vlgg. met kaart 49). — Blijkens de klinker moet men uitgaan van een germ. grondvorm 2ra, waarvoor geen verdere aanknopingen zijn te vinden (is het wellicht een woord uit een substraattaal?). Weinig licht verschaffen nnoorw. dial. piren ‘dun, smal, zwak’ en pīr ‘kleine makreel’.

pier 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie C. Tavernier-Vereecken, H TopDial 24, 54-56 [1950] < persoonsnaam Pier < pik. Pi(e)rres.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pier znw., mnl. pier m. = Teuth. pijr, mnd. pîr waarnaast pêrink m., fri. pier “pier”. Grondvorm *2ra-, *pîra-. Voor ’t vocalisme vgl. hier. Uit het Ngerm. hierbij o.a. noorw. dial. piren “dun, smal, zwak”, pîr “kleine makreel”. Men ziet in deze woordgroep wel een anlautvariant van die van spier I en spiering. Dan zouden echter bezwaarlijk de vormen zonder s voorgerm. zijn, want een idg. anlautvariatie sp- (uit sb-): b- is heel onzeker, vooral bij een woordfamilie, waar alleen vormen uit één idg. taalgroep er op wijzen. Maar als de germ. anlaut secundair is, dan is de ablautverhouding van mnd. pêrink tot spier I moeilijk te begrijpen, ’t Is dus beter pier van spier I te scheiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pier (worm). Geografisch beperkt tot de Nederlanden en het onmiddellijk aangrenzende ndd. gebied. In Brandenburg en omliggende streken komt het ook voor als pîrâs ‘regenworm’ en is daar wsch. door ndl. immigranten ingevoerd. Teuchert Zsfdeu. Mua. 18, 176 vlg. Vgl. hermoes Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pier 1 v. (worm), + Ndd. id.: oorsp. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

piering (zn.) regenworm; Middelnederlands pier <1401-1450>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pier: witte pier’ (de, -en), 1. (meestal) blanke (vaak geringschattend bedoeld). Met blote voet en open hemd*, hij vloog die deur uit. - Laat* die k’ka [S, stront] man, jo* witte pier! Durf geen neger aan te raken! (Cairo 1982: 205). ’Witte pier, geen manier’ (honende zegswijze). - 2. (soms) licht gekleurde Creool* (zonder bijgedachte). - Zie ook: (i.v.m. 1) pierewiet*, (i.v.m. 2) wit*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pier I: erdwurm (Lumbricus agricola (terrestris), fam. Lumbricidae), kom hoofs. nog in enkele verbg. voor, bv. so dood as ’n – ; Nedl. pier (by Kil pier/pierworm), herk. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pier ‘worm’ -> Duits dialect Pier, Piere ‘worm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pier* worm 1401-1450 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

449. Zoo dood als een pier,

d.w.z. voor goed, geheel en al dood; eig. zoo dood als een pier, een aardworm, die slap aan den haak van een hengel hangt. In Vlaanderen zegt men volgens Joos, 14: dood als een pier, een musch, een muis, een kieken; Antw. Idiot. 366: zoo dood as 'ne pier, als 'ne steen; in hd. dialecten vindt men volgens Wander, IV, 1252: so däud as 'n Hucke (Kröte, huckedäud); so daud as 'n Méus; todt wie eine Sode; hd. mausetot; in het Engelsch: as dead as herring, mutton, ditch-water, a doornail, a smelt, enz.; in het Friesch: so dea as in loarte (drol), as in pier. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Gew. Weuw. II, 48: t Kind is dood als een Pier; zie verder Langendijk, Wederz. Huw.bedrog, 827; Tuinman II, 235; Sewel, 637; Halma, 503; P.K. 79; Boekenoogen, 747: hij is pier of pierdoodIn Taal en Letteren IX, 224 wordt de uitdr. ten onrechte in verband gebracht met het lied van Pierlala, daar deze een half uur na de begrafenis weer uit de kist kroop en dus niet dood was (Willems, Oude Vlaemsche Liederen, 300).; bij Querido, Jord. 298 wordt pierelemortes gevonden in den zin van het znw. dood. Vgl. Handelsblad, 19 April 1923 (O) p. 2. k 3: Als de heer Braat niet in Holland maar in Roemenie was geboren, zou hij vermoedelijk Bratianu heeten en bijgevolg een vermaard (zij het ook pierdood) staatsman zijn. In 't Oostfri. so dôd as 'n pogge (kikvorsch) of poggedod.

1814. De kwade Pier,

d.w.z. kwade Pieter, de kwade man; degeen, die altijd, ook voor anderen die er belang bij hebben, iets moet verrichten, waardoor hij iemand onaangenaam is en den naam krijgt van boos te zijn. Een kwade Pier was in de 16de en 17de eeuw iemand die 't anderen lastig maakt, waarmede het niet gemakkelijk is te doen te hebben; vgl. een stijve Pier, bonte Pier, een ruwe vent; malle Pier, een dwaas, Pier Lichthart, een luchthartig mensch; Ndl. Wdb. XII, 1556. Volgens Tuinman I, 10 zegt men hy wil de quaade Pier niet zijn ‘van ymand, die iets niet met scherpheid wil aanvangen en uitvoeren’. Met Van Eijk I, nal. 59 en Laurillard, 7 te denken aan Groote Pier, of met Tuinman aan den apostel Petrus (Matth. XXVI, 51) komt me onnoodig voor. Vgl. Nw. Amsterdammer, 24 April 1915, p. 2 k. 2: Ik dacht dat de vaderlandsliefde, de ‘waarde der nationaliteit’, bij deze gelegenheid de Kwaje Pier was geweest?

1817. Pierewaaien,

d.w.z. doordraaien, pret maken, aan de pier zijn (Molema, 323) of gaan. Een sedert de 17de eeuw meermalen voorkomend werkwoord, dat in den vorm piereweyen, pireweyen o.a. wordt aangetroffen bij Winschooten, 304; Focquenbroch, Herderszangen, 64; Rusting, 85; 253; 429; enz. Zie ook Sewel, 637: Piereweyen, to play the truant, to go idly up and down; en vgl. Nkr. II, 22 Nov. p. 4: En 's nachts vermaken we ons eerst fleurig; we gaan dan recht gezellig aan de pier; Schuerm. 476 a; Bijv. 241 a: pireweien. Het woord is van Russische afkomst en waarschijnlijk door Nederlandsche matrozen uit Archangel overgebracht; in die taal beteekent nl. pirúju, pirovát, een gastmaal houden; pir = gastmaal (vgl. idg. pi, drinken). Zie Ndl. Wdb. XII, 1570 en Uhlenbeck in de Beiträge XVI, 563 en XIX, 313.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut