Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

piemel - (mannelijk geslachtsorgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

piemel zn. ‘mannelijk geslachtsorgaan’
Nnl. pimel (kindertaal) ‘water, urine’, pimele (kindertaal) ‘urineren’, pimeldoek ‘linnen of katoenen luier’, alle in het volgende citaat: Een linnen of katoenen luier noemt men zeer karakteristiek pimeldoek, want pimele en pimel is wateren en water, urine; deze laatste woorden zijn slechts voor kinderen in gebruik [1867; Winkler], piemel, piemeltje ‘mannelijk geslachtsorgaan’ [1875; De Jager], piemel ‘man’ in Die andere baas was toch zoo'n leuke piemel [1908; Stoett 1925, nr. 2284].
Afleiding van piemelen ‘urineren’, waarvan de herkomst onduidelijk is. Mogelijk horend bij een reeks expressieve werkwoorden met dezelfde betekenis, zoals Overijssels pingelen, Nedersaksisch (en vandaar Hoogduits) pinkeln, Zweeds pinka (De Jager 1875), hoewel voor de Duitse woorden ook wel afleiding van pink ‘kleine vinger’ wordt voorstelt. Met andere betekenis o.a.: vnnl. pemelen ‘karig toebedelen’ [1573; Thes.], nnl. pemelen (gewest. Zuid-Nederlands) ‘beuzelen, peuzelen’.
Lit.: J. Winkler (1867), ‘De Leeuwarder tongval en het Leeuwarder taaleigen’, in: Taalgids 9, 210-226 en 293-309, hier 299

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

piemel* [urine, mannelijk lid] {1867 in de betekenis ‘urine’; de betekenis ‘mannelijk lid’ 1875} mogelijk een secundaire vorm van piel [pijl], vgl. piemelen [urineren], noordhoogduits Pimmel bij pimmeln [tingelen], vgl. nederduits pümpeln [stoten], Pümpel [vulva].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

piel znw. = pijl, met de dial. uitspraak van oude î als monophthong. NB. Kil. geeft op: “piel. Holl. j. pijl”. — De vorm piemel is wellicht secundair bij piel gevormd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

piel, piemel znw., bij het ww. † piemelen, dat wel een jonge onomatop. vorming zal zijn als gron. piemelen, zuidndl. pemelen ‘kieskauwen’, Kil. pemelen ‘schraaltjes geven’ (vgl. ook ndd. pemmeln ‘beuzelen’): zie verder bij pimpelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

piemel m., behoort bij pummel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

piemel ‘mannelijk lid’ -> Papiaments pimpilinchi, pilinchi ‘mannelijk lid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

piemel* mannelijk lid 1875 [WNT piemelen]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut