Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

piano - (muziekinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

piano 1 zn. ‘muziekinstrument’
Nnl. eerst pianoforte in de toonen van de pianoforte [1793; Vad.lett., 83], dan piano ‘modern toetsinstrument’ in had zij zich aan het piano geplaatst [1836; WNT], een phantasie van Beethoven voor piano en orchest en koor [1866; WNT].
Verkorting van Italiaans pianoforte [1771; DELI], samentrekking van piano e forte, letterlijk ‘zacht en hard’ [1598; DELI]. Italiaans piano ‘zacht, vloeiend’ [voor 1292; DELI], eerder al ‘vlak, evenwijdig’ [voor 1272; DELI], is ontwikkeld uit Latijn plānus ‘glad, vlak, evenwijdig’, zie → plan. Voor Italiaans forte ‘luid, hard’ zie → fort ‘versterkte vesting’. Zie ook → piano 2.
De Italiaanse benaming pianoforte voor de voorloper van de piano is een verkorting van clavicimbalo col piano e forte ‘klavecimbel met hard en zacht’, in 1711 zo genoemd door de uitvinder Bartolomeo Christofiori (DELI), omdat op dit instrument, in tegenstelling tot zijn voorloper het → klavecimbel, in gradaties van hard en zacht kan worden gespeeld als de toetsen harder of zachter aangeslagen worden. In een Italiaanse inventaris uit 1598 komt overigens al een instrument voor dat als piano e forte wordt omschreven, maar het is onbekend wat daarmee bedoeld wordt (DELI).
In 1726 noemde Silbermann in Leipzig een door hem vervaardigde piano de fortepiano; in het Nederlands komt fortepiano voor sinds 1795 (WNT). In 1767 werd de fortepiano door Broadwood in Engeland verbeterd en pianoforte genoemd.

piano 2 bn. ‘zacht; rustig aan’
Nnl. In de Musijk betekend P. bij verkorting piano of zagt [1773; WNT], fluistert het u, piano, piano ... in het oor [1837; WNT], ‘kalm aan, rustig’ in piano aan [1861; WNT].
Ontleend aan Italiaans piano ‘zacht, vloeiend’, zie → piano 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

piano [muziekinstrument] {1836} < frans piano < italiaans piano, elliptisch voor piano e forte [zachtjes en luid]; de naam is afkomstig van Bartolomeo Cristofori (1709), de uitvinder van de gravicembalo col piano e forte, een instrument dat zowel zacht als hard kon spelen. Als bijw. met de betekenis ‘zachtjes’ is piano {1669} geleend < italiaans piano [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

piano znw. v. is ontleend < ital. piano, afkorting van pianoforte, eig. piano e forte, vgl. fra. clavecin à forte e piano. — Het instrument werd tegelijkertijd door de Fransman Marius en de Duitser C. G. Schröter uitgevonden en kreeg zijn naam, omdat men het in tegenstelling met het spinet zowel zacht als krachtig kon aanslaan. Sedert de 19de eeuw treedt de verkorting piano op.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

piano znw. Een nnl., ook elders voorkomende ontl. uit it. piano, een verkorting van pianoforte, oorspr. piano e forte “zacht en hard”, dan de naam van een instrument. — Evenzoo komt nnl. pianino, een internationaal woord, van it. pianino.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

piano, sedert begin 19e eeuw, komt aanvankelijk ook onz. voor, wsch. naar orgel en klavier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pia’no van de Hindostanen, Hindostaanse piano (de, -’s), (niet alg.) klein harmonium, in gebruik bij Hindostanen*. Metalen bekkens van een goede decimeter doorsnee, de djaath, worden alleen door mannen en slechts bij bepaalde gelegenheden aangewend; maar het kleine draagbare harmonium, met een vaste omvang van 3½ octaaf ontbreekt haast nooit, en wordt niet ten onrechte ’piano van de Hindostanen’ genoemd (Helman 1977: 372). - Etym.: De overeenkomst met een gewone piano is vooral gelegen in het toetsenbord.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

piano: bep. musiekinstrument; feit. intern. wd., eers sedert 19e eeu in afgekorte vorm v. It. piano (afk. v. pianoforte, eint. piano e forte, “sag en luid”, want juis hierdeur het hierdie instrument hom van sy voorgangers sedert d. 15e eeu ondersk.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

piano ‘langzaam’ (Italiaans piano); ‘muziekinstrument’ (Frans piano)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

piano ‘toetsinstrument’ -> Indonesisch piano ‘toetsinstrument’; Boeginees piâno ‘toetsinstrument’; Jakartaans-Maleis piano ‘toetsinstrument’; Madoerees piyano ‘toetsinstrument’; Soendanees piyano ‘toetsinstrument’; Sranantongo piano ‘toetsinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

piano toetsinstrument 1836 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1809. Piano aan,

d.i. langzaam, zachtjes aan. Piano is ontleend aan 't Ital. piano, lat. planus, vlak, en van geluiden zacht. In de 17de eeuw piano-piano; pian-piano (o.a. Kluchtspel, 3, 77); zuidndl. piane-piane naar fr. piane-piane. In navolging van langzaam aan heeft men gezegd piano aan, in gemeenzame taal piaantjes aan. Zie Ndl. Wdb. XII, 1508 en vgl. Harrebomée II, 180: Hij speelt piano aan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut