Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peuren - (wroeten; op paling vissen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

peuren ww. ‘wroeten; op paling vissen’
Vnnl. poyeren, peuren ‘wroeten, roeren in iets’ in dat hy in den schotel niet en roere of en poyere alsoft hy in eenen vischput ware ‘dat hij niet in de schotel wroet of roert alsof hij bij een visvijver is’ [16e eeuw; MNW], overdrachtelijk in niet en puert Jn elc anders mesdaet ‘bemoei je niet met andermans slechte daden’ [ca. 1530; iWNT], poyeren, met de poyer visschen (naast Vlaams pueren) ‘op paling vissen m.b.v. een drietandige vork’ [1599; Kil.].
Wrsch. een afleiding bij het zn. peur, poyer ‘vistuig bestaande uit een lijn waaraan een tros wormen is bevestigd’. Dat is een samentrekking van mnl. pueder ‘drietandige vork om aal te vangen’ [1366; MNW], dat op zijn beurt wrsch. van een wortel *pud- ‘iets diks, opgezwollens’ is afgeleid, vergelijk mnl. podde ‘pad’ en oe. puduc ‘gezwel’ en zie ook → poon.
Mnd. podderen ‘op iets inhakken; tegenwerpingen maken’; nfri. poere ‘peuren’. De wortel *pud- is niet Indo-Europees en is wrsch. aan een onbekende taal ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peuren* [roeren, wroeten, paling vangen met een peur] {1546 als ‘paling vangen’; de betekenis ‘wroeten’ 1539} vgl. middelnederlands poderen, puederen, poyeren [met een tros wormen vissen], poder, pueder [een tros wormen] {1366} mogelijk van peur [vistuig], verwante vormen puier, pooier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peuren, peueren ww. ‘roeren, wroeten; met de peur vissen’, dial. ook pooieren, pōren, podderen, mnl. pōderen, puederen, poyeren ‘roeren, wroeten; met een pōder of tros wormen vissen’, mnd. podderen ‘tegenspreken’ (westf. puәden ‘roeren’), fri. poere ‘peueren’, ne. pother, pudder ‘kwellen, in de war brengen’.

Er is geen enkele aanleiding om voor dit op zo beperkt gebied voorkomende woord naar idg. verwanten te zoeken; de verbinding met gr. bussós ‘diepte der zee’ is uit de lucht gegrepen. — In de bet. ‘met de peur vissen’ is het woord een afl. van peur. Of men dat ook mag aannemen voor de bet. ‘wroeten, roeren’ is minder zeker. Hier zou men kunnen denken aan een iteratief van *poden, dat men wel heeft verbonden met de groep van nnl. poedel (waarvoor zie: poel), me. podle (ne. puddle) nhd. pfudel ‘modderkuil, poel’ en dan zou poden bet. ‘roeren in een modderige bodem’ (om de paling op te jagen?). Of men deze woorden dan mag brengen bij de idg. wt. *beu: *bheu ‘opblazen, zwellen’ (IEW 99) is volkomen onzeker. — Of is dit woord overgenomen uit een substraattaal?

puren 2, peuren ww., mnl. pûren ‘wroeten in iets’, Kiliaen pueren. In bijzondere bet. wordt het woord gebruikt voor ‘goud puren uit’ en dan ook voor ‘honing puren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peuren, peueren ww., dial. ook pooieren, poren, podderen en (Zaansch wfri. Kamp.) poeren, in de l6. eeuw reeds in den vorm poyeren = “roeren” met de bijgedachte “met de peur visschen”, mnl. reeds het bnw. pōdersam, pȫdersam, poersam, pursam “lastig, het iemand lastig makend”. = mnd. podderen “tegenspreken” (westf. korter puǝden “roeren”), fri. poere “peueren”: Eng. to pother, to pudder “kwellen, in de war brengen” is ten onrechte hierbij gebracht: is ’t een oud woord, dan heeft het germ. ô. Vermoedelijk moeten wij voor peuren enz. uitgaan van een germ. puþ- (puð-) “roeren” en ’t znw. ndl. peur, Antw. poier, Zuid-Kemp. poor, mnl. (1366) pueder, Zaansch wfri. fri. poer “tros wormen om mee te visschen” is dan òf een afl. met suffix -ǝr van een ndl.-fri. ww., met westf. puǝden overeenstemmend, òf een stam-nomen van het ww. *pōderen. Germ. puþ-, puð- zou met ion. bussós “diepte van de zee” verwant kunnen zijn. Veeleer echter is de germ. woordfamilie jong. In de mnl. periode trad *pōderen met *pōteren (peuteren) in associatie, vandaar de synonieme vormen pōtersam en pōdersam.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peur v., verbaalabstr. van peuren, dial. ook pod(d)eren + Ndd. pöddern, Eng. to puddle, bij peuteren.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peuren* roeren, wroeten 1539 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut