Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peul - (bolster)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

peul zn. ‘zaaddoos van bonen en erwten; variëteit van de erwt’
Mnl. pole, peule ‘schil’ in enen peulekine, daer tsteenkijn van .1. rosinen in es gewimpelt ‘een schilletje, waarin het pitje van een druif is gewikkeld’ [1351; MNW-P], ‘bepaalde tuingroente’, wrsch. al in puelen 12 gr ‘12 grein peulen’ [1371-72; MNW]; vnnl. pole, peule (beide: Rijnlands, Hollands), puele, pelle ‘schil van peulvruchten; erwten in hun eigen peul’ [1599; Kil.].
Herkomst onzeker. Mogelijk ontstaan uit een grondbetekenis ‘iets wat opgezwollen is’ en dan verwant met puilen, waarvan de etymologie eveneens zeer onduidelijk is (NEW). Een andere mogelijkheid is verband met Engels pulse ‘peulvrucht; (collectivum) peulvruchten’. Dit woord, met als oudste attestatie polscorn ‘peulvruchtenkorrels, pap hiervan’ [1297; OED] gaat wrsch. terug op Oudfrans pols, pouls, pous ‘pap, brij’ (OED), dat is ontwikkeld uit Latijn puls (genitief pultis) ‘id.’. De betekenis ‘peul’ is in geen enkel Frans dialect aangetroffen (FEW) en dus in het Engels zelf ontstaan. Indien men voor Nederlands peul wil uitgaan van dezelfde Oudfranse oorsprong, moet men dus een identieke betekenisontwikkeling aannemen, hetgeen niet wrsch. is. Mogelijk is het Engelse woord als benaming voor een handelsproduct ontleend aan het Middelnederlands, of andersom.
Mnd. pole ‘huls, peul’.
Naast de oorspr. betekenis ‘zaaddoos van bonen, erwten e.d.’ is het woord ook de groentenaam geworden voor een specifieke variëteit van de erwt (Pisum sativum var. saccharatum). In deze betekenis wordt bijna altijd gesproken over peultjes.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peul1* [bolster] {pole, peule 1285} verwant met puilen [zwellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peul 1 znw. v. ‘peulerwt’, mnl. pōle, puele, peule ‘huls, schil, bolster, dop’, mnd. pōle ‘huls, bolster’ en abl. pūle (vgl. nnl. dial. poele in het Kamperveens); daarnaast ne. pulse ‘peulvruchten’, nde. pølse ‘worst’, nzw. pölsa, pylsa ‘worst, gehakt vlees’. De grondbet. zal zijn ‘iets dat opgezwollen is’ en dan verwant met puilen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peul I (peulerwt), dial. (Kemp.) pool, mnl. pōle, pȫle v. “bolster, schil, huls, vlies van een ei”, misschien ook al “peulerwt”. = mnd. pōle “huls, bolster”, waarnaast met ablaut pȗle v., Kamperveensch poele “id.”. Hierbij nog eng. pulse “peulvruchten”, de. pølse “worst”. De grondbet. was evenals die van bolster “het opgezwollene”, en verwant is puilen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

peul I (peulerwt). Verschillende diall. (Gron. Vel.) hebben de klank, die germ. ô voortzet; kamperveens poele is dubbelzinnig. Indien wij hierin een oude ablaut mogen zien, wordt aansluiting van de woordfamilie bij idg. *bel- ‘zwellen’ (zie puilen) te waarschijnlijker. Vgl. W.de Vries Tschr. 38, 239 vlg. De ndl. dial. vocaal zal echter eerder op vervorming of ontlening berusten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peul v. (huls), Mnl. pole + Ndd. id., Eng. pulse, bij puilen. — Voor peul bijvorm van peluw z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1peul s.nw.
1. Vrug met een ry saadjies wat oopspring wanneer dit ryp word. 2. Leë dop van 'n peul (1peul 1).
Uit Ndl. peul (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peul I: huls v. peulvrugte (fam. Leguminosae); Ndl. peul (Mnl. pole/peule, dial. pool/poele), hou verb. m. puil (q.v.) en m. Eng. pulse, “peulvrugplante”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peul* bolster 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

309. Ieder moet zijn eigen boonen (of peultjes) doppen,

ieder moet zelf voor zijn belangen zorgen; zijn zaken zelf beredderen; vgl. C. Wildsch. III, 57: Ik zei altoos, hoor, Sijntje, dat is uw zaak, 't zijn uwe boonen, gij zult ze moeten doppen; bl. 346: Evenwel, indien Keetje wil en zal, zij moet het weeten; het zijn haar boonen, zij moet ze doppen; V, 269: Nu 't zijn haar boonen, zij moet die doppen; Harreb. I, 79; Nkr. VII, 30 Aug. p. 3; Het Volk, 4 April 1914 p. 7 k. 4: Onze Organisatie past er nu eenmaal voor de boontjes te doppen voor de op een koopje vrij georganiseerden; De Arbeid, 28 Febr. 1914 p. 2 k. 4: Ik geef u de verzekering, dat D.V.V. best haar eigen boontjes zal weten te doppen; 8 April 1914 p. 1 k. 1: In alle andere gevallen hebben we niets met hen te maken en doppen we onze eigen boontjes; Jord. 400: 's Middegs en 's oavons helpt me Staan..... Moar 'n mins dopt tug 't liefst se aage baune! Nw. School, VII, 118: Hij (een Hoofd der School) kan het niet goed hebben dat die gymnastieker van hem z'n eigen boontjes dopte; Antw. Idiot. 2146: Ieder moet zijn eigen boonen maar wannen, ieder moet zijn eigen gebreken verbeteren, vóordat hij zich met die van anderen bemoeit; Nw. Amsterdammer, 20 Maart 1915 p. 9 k. 1: Laat ieder nu maar zijn eigen peukjes doppen.

312. Lustje (of moetje) nog boontjes (of peultjes)?

d.w.z. Heb je nog iets te zeggen of te vragen? Was er nog iets? Wat zeg je daarvan? Soms ook wordt dit door den toehoorder terzijde tegen een ander gezegd, als de spreker iets opmerkt, dat men afkeurt. Zie Ndl. Wdb. XII, 1434 en vgl. Nkr. II, 30 Aug. p. 2: Een nieuwe lachbui was het antwoord met sarkastische vragen als: Waar kom jij vandaan? Moetje nog boontjes? en dergelijke; Jord. II, 206: Moest de brulaap nog boontjes? Een pot op zijn kop en een frisschen nacht zou ze hem wenschen! Boefje, 120; Het Volk, 14 Jan. 1914 p. 8 k. 2; De Arbeid, 14 Febr. 1914 p. 1 k. 2: Die bond is een echte barbaar, die meent te ‘bevelen’ te hebben en zegt met een grooten mond: ‘Wij zullen bepalen welke actie te IJmuiden gevoerd zal worden’. Mot je nog peultjes? 6 Dec. 1913 p. 3 k. 3: Nu het verschil: Ruis onvereenigd revolutionair bleef werk houden en A.v. Dalen christelijk georganiseerd werd gebroodroofd. Moet je nog boontjes?

1728. Den boel opscheppen,

d.w.z. alles in rep en roer brengen, een standje maken; drukte maken; stukslaan, kijven, alles het onderste boven smijten (Rutten, 33; 163); syn. van de peentjes opscheppen (in Kmz. 364) of de peultjes opscheppen (V. Ginneken I, 496), 'n bal sloon (N. Taalgids XIV, 196). In Zuid-Nederland beteekent iemand zijn peeën opscheppen: iemand de les lezen (Antw. Idiot. 944; Schuermans, 438); in het oostfri.: de bûl upscheppen, schoonmaak houden, reinigen (Ten Doornk. Koolm. I, 248 a; III, 480 a). Waarschijnlijk is de eerste bet. den boel in orde maken, opknappen, opschoonen (Molema, 311 b), waaruit door het ironisch gebruik de tegenw. bet. kon voortvloeien; vgl. den boel toetakelen, eig. een schip van touwwerk voorzien, in orde maken (Winschooten, 307); Spaan, 268: Wy meinen 't Huis van dezen avond wel helder op te schikken; den winkel, het huis opschikken, den kreupelen waard slaan (Ndl. Wdb. VIII, 180; XI, 1162); Halma, 265: De kitZie Günther, die Deutsche Gaunersprache, 104. boenen, veegen of schoonmaken, déménager un bordel, en chasser tout le monde, et en briser les meubles; Ndl. Wdb. III, 58; XI, 1149; 1162; Kalv. II, 154; Harreb. III, 53 a; Molema, 311 a; fri. de boel opscheppe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut