Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

petroleum - (vloeibare brandstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

petroleum zn. ‘vloeibare brandstof’
Mnl. peterolie, pieterolie ‘steenolie, aardolie, meestal gebruikt als artsenij’ in olie van lelyen ... of peterolie, of enegerande hete olie ‘olie van lelies, of steenolie of enigerlei warme olie’ [1351; MNW-P], pieterolye ende cruyden ... nae advys vanden doctoiren, toegelaeten ‘steenolie en kruiden op advies van de geleerden toegelaten (in de stad)’ [15e eeuw; MNW]; nnl. petroleum ‘aardolie’ in bronnen die Petroleum opgeeven [1791; Vad.lett., 89], bepalingen omtrent den opslag van petroleum [1862; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn petroleum, gevormd uit klassiek Latijn petra ‘steen’ en oleum, zie → olie. Het woord betekent dus letterlijk ‘steenolie’. Latijn petra is ontleend aan Grieks pétrā ‘id.’ (naast minder frequent pétros, zie → peterselie), van onbekende verdere herkomst.
Aardolie is al sedert de oudheid bekend. Vanaf de 19e eeuw wordt de olie veel beter gezuiverd en wordt deze onder de middeleeuws-Latijnse naam petroleum een veel gebruikte brandstof voor lampen en kooktoestellen; de oude naam peterolie (NN) bleef in de omgangstaal echter ook in gebruik, bijv. in peterolie, gas en electriciteit [1907; WNT peterolie], peterolie “volksterm: petroleum” [1960; Koenen].
peut zn. (NN) ‘terpentine; petroleum’. Nnl. peut (met de aantekening “volkstaal en soldatentaal”) ‘petroleum of benzine’ [1961; Van Dale], ook ‘terpentine’ [1976; Van Dale]. Verkorting van petroleum. Volgens het WNT kon in pet(e)rolie de klemtoon ook op de eerste lettergreep vallen; dit heeft mogelijk geleid tot een “platte” uitspraak péutrolie > péutolie, en bij verkorting peut.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

petroleum [brandstof] {1862} < engels petroleum < middeleeuws latijn petroleum [minerale olie], van latijn petra [rots, steen] < grieks petra + latijn oleum [olijfolie]. Het middelnl. kende peterolie [brandstof] {1351} geleend uit het lat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

petroleum znw. m., nnl. uit het woord petrolium, dat 1530 bij Paracelsus voorkomt en gevormd is uit gr. pétros ‘steen’ en lat. oleum ‘olie’. Als naam van de aardolie, die in het begin der 20ste eeuw in de Ver. Staten ontdekt werd, is het woord uit het ne. overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

petroleum znw. Een nnl., ook in andere talen voorkomende ontl. uit mlat. petroleum.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

petroleum v., gev. met Lat. petra = steen (z. peterselie) en oleum = olie (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

petrol (zn.) petroleum; Middelnederlands peterolie <1351> < Latien petroleum.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pieterolie, zn.:petroleum. Mnl. peterolie, pieterolye < Mlat. petroleum of oleum petrae ‘steenolie’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

petrol s.nw.
Brandstof vir motorvoertuie.
Uit Eng. petrol (1895).

petroleum s.nw.
Aardolie.
Uit Eng. petroleum (1526).
Eng. petroleum uit Latyn petroleum 'minerale olie', met lg. van Latyn petra 'rots, steen' en oleum 'olyfolie', lett. 'olie van die rots'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

petroleum ‘minerale olie’ (Latijn petroleum); ‘aardolie’ (bet. van Engels petrol)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

petroleum In de betekenis ‘jenever’ in 1937 opgenomen in een Bargoens woordenboekje. Jenever zal zijn beschouwd als de brandstof voor de dronkaard. Waarschijnlijk is ook het vluchtige en branderige karakter van jenever van invloed geweest. Petroleum wordt vaak peut genoemd. Ook dit woord heeft als borrelnaam dienstgedaan. Bij de Nederlandse marine werd peut in de jaren vijftig gebruikt voor ‘vieux’, net als afbijt. En in 1980 is in Het Goorke, een buurt onder de rook van Tilburg, de borrelnaam peutje gehoord. Van Dale kent petroleum sinds 1950 in de betekenis ‘jenever’. Ook in het Duits wordt jenever Petroleum genoemd. In het Frans is de benaming pétrole gereserveerd voor eau-de-vie en wijn van slechte kwaliteit.
Vergelijk bronolie.

[Bolhuis 131; Drank 35; Nijm.vr. 80]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

petroleum ‘brandstof’ -> Indonesisch pétroléum ‘brandstof’; Javaans patra, patraliyun, pèt, pitroli ‘brandstof’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

gaskachel [kachel die met gas gestookt wordt] (1866). In de negentiende eeuw neemt de verwarming met gaskachels neemt enorm toe: vanaf 1866 verschijnen er advertenties voor gaskachels in de kranten. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De gassen waren in de natuurwetenschap al lang bekend, toen omstreeks het midden onzer eeuw het lichtgas in de algemeene spreektaal werd ingevoerd door het stichten van gasfabrieken, het werken der met huid en haar van de Engelschen overgenomen gasfitters, het in gebruik brengen van gaslantaarns, gaslampen, gaskranen, gasornamenten, gashouders, gasmeters, gaskomforen, gaskachels en gasgloeilicht. Het Engelsche “burner” vertaalden wij met brander, dat als marinenaam uit den tijd onzer zeeoorlogen nog maar alleen in de herinnering voortleefde. In concurrentie (ook dat woord is eerst allengs in de spreektaal gekomen) daarmee zag men al spoedig de petroleum verschijnen, aanvankelijk door het volk meestal peterolie of petroléum genoemd. De lucifer dagteekent reeds van even vóór 1850, maar zonder zwavel van een tiental jaren later. Deze heet nog altijd Zweedsch, ofschoon hij tegenwoordig ook elders dan in Zweden wordt vervaardigd. Intusschen is met de zaak ook het woord “zwavelstok” bijna geheel in onbruik geraakt. De vroegere quaestie of “open haard” een pleonasme was, is reeds lang van de baan. De “huiselijke haard” bestaat bij velen nog maar in de verbeelding of de herinnering: nu moet men van de huiselijke vulkachel spreken, als men zich niet te rhetorisch wil uitdrukken. Als verbeterde inrichting der openbare brandblussching heeft men in de tweede helft onzer eeuw in verschillende steden onder Duitschen naam eene brandweer ingevoerd, en woorden gemaakt als brandschel en brandkraan. Ook eene samenstelling als stoombrandspuit was met de zaak voor vijftig jaar nog onbekend, en lang zal het niet meer duren of niemand weet meer, wat “brandemmers” zijn.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

petroleum brandstof 1862 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal