Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peterselie - (tuinkruid (Petroselinum crispum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

peterselie zn. ‘tuinkruid (Petroselinum crispum)’
Mnl. persele ‘tuinkruid, geneeskrachtig kruid’ [1226-50; VMNW], petersilie ‘id.’ [1240; Bern.]; vnnl. peterselie ‘tuinkruid’ [1573; WNT].
Vroege Germaanse ontlening aan middeleeuws Latijn petrosilium, een vervorming van klassiek Latijn petroselīnum; het Latijnse woord is ontleend aan Grieks petrosélīnon, dat samengesteld is uit pétros ‘rots, steen’, zie → petroleum, en sélīnon ‘selderij’, zie ook → selderij. Peterselie is dus letterlijk ‘steenselderij’. De eerste attestatie in het Nederlands wijst op ontlening via Oudfrans perresil [12e eeuw; Rey].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peterselie [gewas] {petercelle, petersilie 1201-1250} < middeleeuws latijn petrosilicum < latijn petroselinum < grieks petroselinon [idem], van petros [rots] + selinon [eppe] (vgl. selderie).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

peterselie

Peterselie is een moesgewas dat heel vaak, onder invloed van de persoonsnaam Pieter ook pieterselie wordt genoemd. Het woord komt ook in andere Germaanse talen voor. In het Duits heet de plant Petersilie of Peterle, in het Zweeds persilje. Het woord peterselie is ontleend aan het midden-Latijnse petrosilium, dat op twee Griekse woorden teruggaat, namelijk: petros, steen en selimon: eppe, de naam van een moesplant die gewoonlijk selderie wordt genoemd, in het Frans céleri. Naast Grieks petros: steen staat petra: rots. Bekend is het woord van Jezus: Gij zijt Petrus en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen. Op grond van deze tekst beschouwen de Katholieken Petrus als de eerste paus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peterselie, pieterselie znw. v. resp. mnl. pētercelle, pētersille, pēterselie, mnd. pētersilie, pettercillige, ohd. petersilia (nhd. petersilie), oe. pētersilie < mlat. petrosilium < lat. petroselīnum < gr. petrosélīnon (uit pétros ‘steen’ en sélīnon ‘eppe’).

De germ. vormen vertonen vormen met ě en ē vgl. ohd. pētrasile en oe. pētreselīge, pētersīlie. De nnl. naam pieterselie zal wel onder invloed van de PN Pieter staan, het is niet waarschijnlijk dat hier een ie < ē2 zou aan te nemen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peterselie, pieterselie znw. Ohd. pêtrasile o., ags. pêtresîlige, pêtersîlie v. “pieterselie” hebben een dgl. ê2 uit lat. ĕ (< volkslat. petrosilium naast klassiek-lat. petroselînum, gr. petrosélīnon “pieterselie”) als brief en de eigennaam Piet(er) < lat. Petrus. Mnl. komen alleen vormen met e voor: pētercelle, -sille, -sēlie e.dgl. (v. m.?), die op hernieuwde ontl. of vervorming naar den lat. vorm berusten evenals nhd. petersilie v., mnd. pētersilie, pettercillige v. Nnl. pieterselie kan een voortzetting van den ouden vorm met ê2 zijn, maar evengoed kan de ie volksetymologisch onder invloed van den naam Pieter zijn opgekomen. De zeldzame vormen ohd. pedarsil(li), mnl. pēdercelle behoeven niet als ontll. uit een rom. vorm met d verklaard te worden. Veeleer is de d — op wat voor manier dan ook — in ’t Hd. en Ndl. uit t ontstaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peterselie v., gelijk Hgd. petersilie, en Fr. persil (van waar Eng. parsley), uit Lat. petroselinum, van Gr. petrosélinon = steenpeterselie (pétros = steen, rots + Lat. petra (Fr. pierre), — sélinon = peterselie: z. selderij).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pietersielie s.nw. Ook pieterselie.
Tipe kruie.
Uit Ndl. pieterselie (Mnl. petercelie), wsk. volksetimologies onder invloed van die eienaam Pieter ontstaan.
Mnl. petercelie uit Latyn petroselīnum.
D. Petersilie.
Vgl. Eng. parsley, Fr. persil.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pieterselie: – pietersielie – , pln. (Petroselium sativum, fam. Apiaceae); Ndl. p(i)eterselie (Mnl. peter-/pietercelie/-celle/-sille), Hd. petersilie, Eng. parsley, Fr. persil, It. petrosillo/petrosellino, uit Ll. petrosilium/-cillum uit Lat. petroselinum, Gr. petroselinon (Gr. petra, “rots”, petros, “klip”, en selinon, “(selie)plant”); by vRieb petersely.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

peterselie (Latijn petrosilium)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Peterselie, van ’t Lat. petroselinum, van ’t Gr. petro-selinon = steen-sellerij.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peterselie ‘gewas’ -> Engels petersilly ‘gewas’; Indonesisch patraséli, péterséli, piterséli ‘gewas’; Jakartaans-Maleis pétersili ‘gewas’; Javaans patrasèli ‘gewas’; Madoerees dialect tarseli, mottarseli ‘gewas’; Singalees piṭasäli ‘gewas’; Negerhollands peterselje ‘gewas’; Papiaments pitiseli (ouder: piterselie, piteseel) ‘gewas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peterselie gewas 1240 [Bern.] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut