Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pesten - (treiteren, sarren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pesten ww. ‘treiteren, sarren’
Vnnl. pesten ‘zich zeer onheus gedragen tegen’ in (krijgslieden) die comen logeren ende pesten ... de ingesetenen [1583; WNT]; nnl. pesten ‘treiteren, dwarszitten’ in om D. te pesten [1893; Groene Amsterdammer], de meesters pesten [1903; WNT].
Afleiding van → pest ‘vreselijke ziekte’; pesten is ‘als een pest voor iemand zijn, hem ondraaglijk kwellen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pesten [kwellen] {1583} afgeleid van pest, eig. ‘een pest voor iem. zijn’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2pes ww.
1. Weersin hê in, haat. 2. Pla, terg, treiter.
Uit Ndl. pesten (1583 in bet. 1). Die oorspr., lett. bet. was ''n pes vir iemand wees'.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pesten. De verwensing ga je moeder pesten!, in woede of uit irritatie uitgesproken, zegt letterlijk dat iemand zich uit de voeten moet maken om een ongehoorde of onmogelijke opdracht uit te voeren. De emotionele betekenis is natuurlijk ‘ik ben woedend en minacht je’. → moeder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pesten ‘treiteren’ -> Papiaments pèster ‘treiteren’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pesten treiteren 1583 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1804. Iemand de pest aan- (op- of injagen),

d.w.z. iemand wrevel berokkenen, hem treiteren, pesten, waarvoor men in het Zaansch ook zegt: iemand de pan aanjagen (Boekenoogen, 729). Vgl. Zoek 204: Och god, wat 'n benauwd smoelwarrek.... wacht, even de pest injagen. Van iemand, wien de pest aangejaagd is, wordt in zeer gemeenzamen stijl gezegd ‘dat hij de pest inheeft’ (zie no. 1789) of: de ‘smoor’ inheeft (zie aldaar); vgl. iemand het land aanjagen; den duivel inhebben (no. 518) en dergelijke. Zie Ndl. Wdb. I, 185; XI, 885.

1805. Iemand pesten,

d.w.z. iemand treiteren, sarren, plagen, dampen (no. 404). Zie Kmz. 126; Boefje, 56; Nw. School II, 23; III, 332; Jord. II, 127; 190; Ppl. 44; 50; Het Volk, 30 April 1914, p. 2 k. 1: Iemand ‘pesten’ is een van de slechtste dingen, die men zijn evenmensch kan aandoen. Men spreekt van ‘drankpest’ als van een enorm kwaad. Een ‘pestkop’ is een groot mispunt van een kerel. ‘Krijg de pest’Vgl. Nw. School I, 135: Toen heeft hij geroepen: ‘de pest kan je krijgen!’ Nachtkr. 22: Je ken de pest krijgen; hd. das dich die Pest (kriege); fr. la peste soit le coquin. is nog altijd een gewone verwensching, zij het van bijzonder onhartelijken aard; Nkr. VII, 27 Sept. p. 3: 't Zijn leden van de S.D.A.P. die de bovenmeesters pesten; Leersch. 120: De Rooie wou twee maanden lang plat in de zon gaan liggen, vlak voor z'n baas z'n deur om 'm te pesten; Nkr. IX, 6 Febr. p. 6: De chef pest je, zeiden de collega's tegen me, omdat-ie denkt, dat je socialist bent; Zoek. 14: Pesten doen ze mien.... jà pesten, heur-ie 't nou? de ééne met de andere vergallen ze mien mien leven. Vgl. verder de samenstellingen en afleidingen: pestkop (in M. de Br. 83; Persl. 165; Gron. 127; Kmz. 182; Gunnink, 184; Diamst. 144; Sjof. 242; Kalv. I, 12); pestwijf (Kmz. 198); zoo'n stuk pest-ellend (Kmz. 374); watte luizige pesttrappe (Kmz. 374); die pestbuilen van kerels (Slop, 78); pesterij (in Kmz. 126; Nkr. IV, 25 Dec. p. 4); pestig (in Ppl. 44; Lvl. 233; 324); pesthitte (Menschenw. 330) naast zweeten als de pest (Menschenw. 381); pestwind (bl. 383); dá' laileke kreng! die pestneger! (bl. 392); een pestharde grond (bl. 402); pestman, gierigaard (Köster Henke, 52); pestwerk (Gron. 25, 105); pestschool (Gron. 76); als de pest, in hooge mate (Gunnink, 184). Synoniem is iemand kankeren; vgl. Köster Henke, 30: Kankeren, plagen, pesten; Leersch. 8: 't Was vuil, as 'n wijf niet met je meeging, as d'r anderen tusschen lagen te kankeren; Nachtkr. 23: Kanker me nou niet, je weet dat ik et me zoo aantrek; Nkr. VII, 25 Oct. p. 6: Daar was ereis een kapitein, die kankerde zijn lui zoo fijn; Jord. II, 38; Sjof. 236; Het Volk, 22 Juni 1914, p. 6 k. 3: Goedgezinden, die op één schip op één avond voor ƒ500 jenever verzopen, terwijl de kwaadgezinden werden vervolgd en gekankerd. Ook intr. mopperen in Het Volk, 20 Juni 1914, p. 5 k. 2: Onder de lagere ambtenaren gekanker en gemopper; Nkr. III, 10 Mei p. 2 (kankeren, mopperen); De Arbeid, 12 Sept. 1914, p. 1 k. 4: En als men dan weet, dat dit niet ging morrend en kankerend, maar met frissche opgewektheid; De Telegraaf, 28 Nov. 1914 (avondbl.) p. 9 k. 1: Hij kankert vier zijdjes over een borstrokken uitdeeling; D.v.S. 107: De halve sterrenhemel in actie: generaals, oversten, majoors, kapiteins, luitenants, kankerend en kafferend tegen elkaar in afdalende linie. Vandaar in soldatentaal een kankerpit, een mopperaar (in Haagsche Post, 23 Juni 1923, p. 885), kankeraar (in Schakels, 133).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut