Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pest - (epidemische infectieziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pest zn. ‘epidemische infectieziekte’
Vnnl. peste, pest ‘besmettelijke ziekte’ in gestorven vanden pesten ‘aan de pest overleden’ [1543; WNT vervaarlijk], van fenijnden dieren gebeten oft vander peste ‘gebeten door giftige dieren of door de pest’ [1552; WNT venijnd], bij overdracht ook ‘een vreselijk, verderfelijk persoon’ in daar komtse selfs, die pest ‘daar komt ze zelf, dat vreselijke mens’ [1615; WNT], Turcken, diese als pesten haten ‘die ze haten als de pest’ [1653; WNT rencontre], ‘iets vreselijks, verderfelijks’ in dat hy de kroegen ... als de pest zal myen ‘... zal mijden als de pest’ [1656; WNT verheerd]; nnl. pest ‘schadelijk, verderfelijk iets’ in vocht, de pest voor long en borst [1791; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans peste ‘besmettelijke ziekte’ [ca. 1460; TLF], aan Latijn pestis ‘besmettelijke ziekte, verderf, onheil’, van onbekende herkomst. Al veel eerder ontleend was pestilentie, zie hieronder.
pestilentie zn. ‘pestepidemie’. Mnl. pestelencie ‘epidemie, pestepidemie’ [1302-03; MNW], ‘pest’ in stervet ... vander pestilency ‘overlijdt aan de pest’ [1458; MNW]. Ontleend aan Frans pestilence ‘epidemie van een besmettelijke ziekte’ [1170; TLF], eerder al ‘verderf’ [1100-50; TLF], een geleerde ontlening aan Latijn pestilentia ‘epidemie, besmettelijke ziekte, verderf’, onzijdig mv. van het bn. pestilens ‘verpestend, besmet, ongezond’, een afleiding van pestis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pest [ziekte] {1554} < frans peste of direct < latijn pestis [besmettelijke ziekte, i.h.b. de pest, ook reeds onheil, plaag] → pestilentie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pest znw. v., eerst sedert Kiliaen, evenals nhd. pest in de 16de eeuw < lat. pestis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pest znw., sedert Kil. Evenals nhd. pest v. (> de. zw. pest) “pest” in de 16. eeuw uit fr. peste of lat. pestis. Een oudere ontl. is pestilentie, mnl. pestilencie, -cy, mhd. pestilenz(ie) (nhd. pestilenz), mnd. pestilencie v. uit lat. pestilentia.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pest v., gelijk in alle Eur. talen, uit Lat. pestem (-is).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pes (zn.) pest; Nuinederlands peste <1543> < Latien pestis.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pes s.nw.
1. Gevaarlike, besmetlike epidemiese siekte. 2. Iets verderfliks en nadeligs. 3. Gevaarlike, onaanvaarbare mens.
Uit Ndl. pest (1554 in bet. 1). In Mnl. kom slegs pestilencie voor.
Ndl. pest is nie 'n verkorting van pestilensie nie, maar uit Fr. peste of direk uit Latyn pestis.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pest (Frans peste)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pest. De pest is een in het Oosten inheemse ziekte, die zich vandaar in zware epidemieën (bijvoorbeeld in de 6de, 14de, 16de en 17de eeuw) over Europa verbreidde. De pest is meestal dodelijk, heeft een kort verloop en heette daarom in de Middeleeuwen ook de haestige siecte of de gadoot. Zij kenmerkt zich door hoge koorts en het ontstaan van etterbuilen, ook wel pestbuilen en pestkolen genaamd. In de 17de eeuw kennen wij de nu uitgestorven verwensing de pest vare in hem ‘dat hij de pest krijgt’. Krijg de pest! is een hedendaagse verwensing. Laat-ie de pest krijgen! of gewoon pest! komen voor in West-Brabant. In het hedendaags Nederlands doet pest- regelmatig dienst als versterkend eerste element: krijg de pestpleuris!; krijg de Overmaasse pestpokken!; krijg de Overmaasse hazewindhondenkorenmolenpestpokken!; krijg de pestpleuris!; krijg de pestpokkenpleuris!; krijg de kankerteringtyfuspokkenpest! en krijg de kankertyfusteringpokkenpest! De gruwelijkheid van de verwensingen is, nu de pest geen bedreiging meer vormt voor de westerse mens, afgenomen. Ten gevolge van de omvangrijke varkenspest die in 1997 en 1998 grote delen van Nederland en Vlaanderen teisterde, ontstond vooral onder scholieren de verwensing krijg de varkenspest!, die vooral minachting uitdrukt. In het algemeen kan men zeggen dat het uitspreken van een ziekteverwensing aangeeft dat de spreker een bloedhekel heeft aan zijn gesprekspartner en hem liever kwijt dan rijk is. Vandaar dat de betekenis van krijg de pest en varianten zoveel is als ‘sterf, val dood’. → pastenake, pestilentie, popelsie, varkenspest, veepest.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pest is het Lat. pestis, evenals ons pestilentie voor pestilentia.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pest ‘ziekte’ -> Indonesisch pés ‘ziekte’; Jakartaans-Maleis pès ‘ziekte’; Javaans pés ‘ziekte’; Japans pesuto ‘ziekte’; Negerhollands pest ‘ziekte’; Papiaments peste ‘ziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pest ziekte 1554 [WNT] <Frans of Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

694. Gierig als de pest,

d.w.z. zeer gierig; in deze uitdr. heeft gierig nog wellicht de vroegere bet. van begeerig, daar de pest vele slachtoffers eischt; maar ook aan vrekkig kan worden gedacht, daar de pest niets van hare prooi teruggeeft; vgl. gierig als het graf (zie Spreuken 30, 16); in Jord. 399: gierig als de dageraad; zoo gierig als 'n brand (S.M. 90); zie Ndl. Wdb. IV, 2299. In het fri. sa gjirch as de pest; naast pestgierig (in Kunstl. 79); in Gron. gierig as 'n pod (pad); in Zuid-Nederland gierig als een spin (Joos 18); als een duvel of hij is zoo gierig dat hij brandt of stinkt (Teirl. 504; Antw. Idiot. 494); in 't fr. avare comme un chienVgl. fr. il est comme le chien du jardinier, qui ne mange pas de choux et n'en laisse pas manger aux autres..

1804. Iemand de pest aan- (op- of injagen),

d.w.z. iemand wrevel berokkenen, hem treiteren, pesten, waarvoor men in het Zaansch ook zegt: iemand de pan aanjagen (Boekenoogen, 729). Vgl. Zoek 204: Och god, wat 'n benauwd smoelwarrek.... wacht, even de pest injagen. Van iemand, wien de pest aangejaagd is, wordt in zeer gemeenzamen stijl gezegd ‘dat hij de pest inheeft’ (zie no. 1789) of: de ‘smoor’ inheeft (zie aldaar); vgl. iemand het land aanjagen; den duivel inhebben (no. 518) en dergelijke. Zie Ndl. Wdb. I, 185; XI, 885.

1328. Het land aan iemand of iets hebben,

d.w.z. iemand of iets zeer onaangenaam vinden; een hekel hebben aan iemand of iets, den dikkerd hebben aan iemand (zie Ndl. Wdb. III, 2622); eig. de landziekte aan iets hebben (zie no. 1327); Vgl. Nkr. VI, 15 Juni, p. 6: Talma heeft 't land aan hem als een stier; Nkr. VII, 11 Oct. p. 3: 'k Heb aan 't geloei en gebalk en geblaat intusschen stierlijk het land. Te vergelijken zijn de mier, de pest, de puist, het graveel, een gruwel (Job 19: 19; Ps. 106: 40), een gruis (zie het Ndl. Wdb. V, 728), een grins (Taalgids II, 102), het grauw hebben op iem.; den duivel, den brui, den hooi, den draai (Tuinman I, 276), het zuur (o.a. P.K. 120), de kanker (Nkr. VIII, 24 Jan. p. 4), de mier, aan (van) iets (gezien) hebben; Villiers, 71, enz.

1788. In de pé zijn.

Harrebomée II, 158 b teekent hierbij aan: ‘dat wil zeggen: de zaak is afgeloopen en in orde: de notaris heeft alles geïnventariseerd.... De P is misschien de aanvangsletter òf van punten òf van pen òf van perfectie’. Volgens Woordenschat, 475 b wil in de pé zeggen bijzonder goed, oorspronkelijk het letterteeken ter aanwijzing der Pandekten. Het Ndl. Wdb. XII, 2 wijst op de verouderde uitdr. eene p zetten (of stellen), waarschijnlijk oorspronkelijk met betrekking tot het parafeeren van eene akte, en vandaar in toepassing op iets dat afgedaan is; vandaar het is (behoorlijk) in de P, de zaak is afgeloopen en in orde, bijv. van iets dat door den notaris is behandeld. Gewoonlijk wordt als eene afkorting opgevat van in de puntjes of in de pronk; vgl. G.W. Lovendaal, Soldatenliedje:

 't Was 's morgens exerceeren,
 Voormiddags op corvée,
 Namiddags in de polderbroek
 En 's avonds in de pee.

Zie verder Molema 138: alles in de pée, alles in orde, er ontbreekt niets meer aan; fri.: yn 'e pé, fraai gekleed, in orde; in Zuid-Nederland kent men: in de pie zijn, zijn beste kleederen aanhebben, op zijn pie beste zijn (De Bo, 853); op zijne pijebeste zijn (Schuermans, Bijv. 241; Ndl. Wdb. XII, 1604), waarin pij in 't algemeen ‘kleed’ beteekent.

1789. De pé (of de pest) hebben aan,

ook de pest gezien hebben aan, het land hebben aan; vgl. Kmz. 267: Ze heeft toch zoo de pest an me; De Arbeid, 7 Januari 1914, p. 1 k. 1: De anarchist Coltof ontkent precies 't zelfde, omdat hij, met permissie, de pest heeft aan Oudegeest en Pothuis; S. en S. 27: Z'n tweede vrouw leefde toe nog, zie je, maar daar had ie de pest an; Speenhoff II, 74:

 Weg met al die houten lijven,
 Waar 'n man de p an heit!
 Al die halve vrije wijven

 Zijn de kanker van den tijd.De Arbeid, 18 Maart 1914, p. 4 k. 4: Vliegen, die wel de V, maar niet de P. heeft aan het liegen; Nkr. III, 1 Aug. p. 6: Nou heb ik aan alles de pee, nou moet ik maar grafwaarts gedragen, o Magere Hein, neem me mee; Gron. 255: Dat je de pee hebt aan je stiefmoeder is verklaarbaar. - De pé inhebben (of inkrijgen), de pest inhebben of krijgen (vgl. A. Jodenh. 47; Lvl. 221; Gron. 61; 83: Wie de pest in heeft, steekt z'n vinger maar omhoog, zingt Niko), de kanker inhebben (D.v.S. 111), het land hebben of krijgen; vgl. Nkr. III, 25 Juli p. 2: Baas Van Leeuwen had toch al de pee in, dat ik wethouder was geworden; Gron. 61: Ik geloof, dat jij leelek de pee in hebt, he?; Zondagsblad van Het Volk, 29 Maart 1913, p. 1 k. 3: Ik begon de p in te krijgen, omdat ik zag dat de menschen niet durfden koopen. - De pest gezien hebben aan in Gron. 333: Madam is zoo'n kreng van 'n wijf, 'k heb de pest aan 'r gezien; syn. de kanker aan iemand gezien hebben, o.a. in De Arbeid, 24 Oct. 1914, p. 1 k. 1: Die menschen hebben zóó de kanker aan ons gezien, dat ze te pas of te onpas toch iets aan ons adres moeten zeggen; D.H.L. 28: Als ze 'm maar niet opknappen met provoost, want daar heeft-i den kanker aan gezien! Vgl. no. 1805.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut