Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

perk - (afgebakend stuk grond; tuinbed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

perk zn. ‘afgebakend stuk grond; tuinbed’
Onl. in het toponiem Perke (datief ev., ligging onbekend, Utrecht) [1169; Künzel]; mnl. hen die dienen in uwe perc ‘voor hen die in uw strijdperk treden’ [1350-1400; MNW], perriken ‘houten afbakeningen’ [eind 14e eeuw; MNW]; vnnl. Jn dyueersche percken ‘in diverse gebieden’ [1527; WNT], een perck van wilde beesten ‘een jachtterrein van wild’ [1573; Thes.], een perck van boomen ‘een boomgaard, tuinbed’ [1573; Thes.], de begraven percken ‘de door grachten omgeven gronden’ [1613; WNT].
Ontstaan uit → park, met de klankovergang -a- > -e- voor -r- plus velaar, zie → merk.
In het Nederlands staan park en perk naast elkaar. Daarbij heeft perk min of meer de oorspr. betekenis behouden, terwijl park onder invloed van Frans parc andere betekenissen heeft aangenomen. Zie ook de afleiding → beperken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

perk [afgebakend stuk grond] {perc 1287} nevenvorm van park.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

park znw. o., mnl. parc, paerc, perc, parric, perric m. ‘omheinde ruimte, bijv. ook jachtterrein, lusthof’, mnd. park, perk m. o., ‘afgesloten ruimte’, ohd. pfarrih, pferrih m. ‘omheining’ (nhd. pferch), oe. pearroc ‘omheinde ruimte’. — Blijkens de hd. vormen moet het woord reeds vóór de hd. klankverschuiving < mlat. parricus ontleend zijn, dat verder verbonden wordt met iber. *parra ‘hekwerk’. Het woord parricus moet dus aanmerkelijk ouder zijn dan zijn eerste voorkomen in de Leges Rip. (8ste eeuw). — Fra. parc, dat eveneens daarop teruggaat, dringt over de Nederrijn als aanduiding van een omheinde bosruimte naar Duitsland, maar krijgt zijn huidige betekenis eerst in de 18de eeuw onder invloed van de engelse parkaanleg.

In het Nl. staan park en perk naast elkaar; terwijl het laatste de regelmatige voortzetting van parricus is, kan het 1ste een ontlening aan het fra. woord zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

park znw. o. Gaat met nhd. park m., eng. de. zw. park “park” op fr. parc “id.” terug. De periode van de ontl. in het Ndl. (wsch. Oudnnl.) is moeilijk na te gaan, aangezien het woord in oudere teksten (en ook in veel diall. van nu) formeel moeilijk te onderscheiden is van ndl. perk o. (met e uit a voor r + gutturaal; zie erg; misschien waren tevens umlauts-condities voorhanden als in het Hd.), mnl. parc, paerc, perc, parric, perric o. m. “omheinde, afgesloten ruimte” (in allerlei speciale toepassingen, ook al = “jachtterrein” en “lusthof”), = ohd. pfarrih, pferrih m. “omheining” (nhd. pferch), mnd. park, perk m. o., ags. pearroc m. “afgesloten ruimte”. Een ook rom. woord: fr. parc, mlat. (reeds vroeg) parricus enz. met dezelfde — op verschillende wijzen gespecialiseerde — bet. Gew. zoekt men den oorsprong in het Rom. De ontl. moet dan al vóór de verhuizing van de Angelen en Saksen in de 5. eeuw hebben plaats gehad. Men vergelijkt dan spa. parra “latwerk”, prov. parran “ingesloten tuingrond”. Anderen gaan van ’t Germ. uit en combineeren spar. Beide etymologieën zijn onzeker. De vormen zijn het best te begrijpen, als we van een germ. stam *parruka-, *parrika- uitgaan, van een germ. basis parr-. Een grondvorm lat. *parcus, die bij parco “ik spaar” zou kunnen hooren met een bet. als “einfriedigung”, is formeel onaannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

perk o., Mnl. perc + Hgd. pferch, Ags. pearroc, bestaande ook in 't Rom. (Fr. parc, It. parco) en in 't Kelt. (Gaël. pairc, Bret. park): oorspr. en onderling verband zijn onbekend. — Het Eng. park berust te gelijk op het Ags. en op 't Fr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

perk s.nw.
Begrensing, grens.
Uit Ndl. perk (Mnl. perc). Mnl. perc is 'n wisselvorm van parc 'park'. In Mnl. was perc minder alg. as parc, dog sedert die 17de eeu is park in Ndl. toenemend deur perk verdring. In Afr. is perk minder alg., behalwe in samestellings soos grasperk, setperk en strydperk, en ontlenings soos beperk en inperk.
Mnl. perc uit Latyn parricus 'omheinde terrein'.
Vgl. park.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

perk 'omheind terrein, afgesloten gebied'
Onl. perk, mnl. perc of parc 'omheind terrein, afgesloten gebied' is ontleend aan mlat. parricus 'afsluiting' dat zelf weer teruggaat op een Gallo-Romeinse afleiding van een vóór-Romeins parra 'stang, afsluiting'. Oudste attestatie: 1169 Gerlagus de Perke (ligging onbekend, in Utrecht)1. De betekenis 'publieke wandelplaats' is vanaf de 17e eeuw opnieuw ontleend aan het Frans of Engels, waar sommige vorstelijke parken voor het publiek werden opengesteld.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 289.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

perk (Latijn parricus)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Perk (Ned.; = park; = Fr. parc; = mid-Lat. parcus = omheinde, afgesloten ruimte). Begrensd deel van een oppervlak.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

perk ‘afgebakend stuk grond’ -> Duits dialect Perk ‘grens, eindpunt’; Zweeds pärk ‘balspel gespeeld op een afgebakende stuk grond’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

perk afgebakend stuk grond 1169 [Künzel] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1751. Paal en perk stellen,

d.w.z. iets (kwaads) verhinderen verder te gaan; vooral: ondeugden en misbruiken tegengaan, en op personen toegepast; iemand beteugelen. Ook alleen perken stellen aan. Het znw. paal heeft hier de bet. van landpaal, grenspaal, grensVgl. Gallée, 32 b: ût de paole, buiten de grenzen; Draaijer, 29: park, meet, plaats waar men begint te loopen; men moet geen oude palen verzetten (Zeeman, 401); bepalen, afpalen, palen aan; enz. Zie Ndl. Wdb. XII, 19-21; 213-214; Mnl. Wdb. VI, 18.; vgl. Kil.: Pael, paelsteen, terminus, meta agri, limes agro positus; perck, parck, septum, locus septus, circus, locus conclusus, dus omsloten ruimte, afperking, grens; E. Wolff-Bekker, Aan mijnen geest: En wanneer zet dat volk hun gramschap perk en paalen; Brieven (ed. V. Vloten), 294: En zijne drift heeft perk noch paalen; Sewel, 626: Gods goedheid kent paal noch perk, the goodness of God is without limits; Villiers, 95; Joos, 44; Waasch Idiot. 501 a; Antw. Idiot. 1956Voor dergelijke allitereerende verbindingen zie kind noch kraai; de kogel is door de kerk; gif en gal spuwen; rust roest; de zaak is in kannen en kruiken (of kruiken en kannen = in orde, beklonken; o.a. Handelsbl. 10 Maart, 1920 (A) p. 2 k. 1; Telegraaf, 28 Dec 1923 (O) p. 5 k. 3), enz..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut