Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

perceel - (pand, stuk terrein)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

perceel zn. ‘pand, stuk terrein’
Mnl. Mine herte ... Die d[us v]ul es van vwen parchelen ‘mijn hart dat zo vervuld is van (alles van) u’ [1340-60; MNW-R], vele percelen ‘veel stukken van landerijen’ [ca. 1390; MNW]; vnnl. eenig Perceel, 't zy een Huys of stuk Lands [1677; WNT verboeken I]; nnl. perceel ‘gebouwd eigendom’ [1838; WNT weder III].
Mogelijk via Frans parcelle, een juridische term [1150; Rey], ‘klein deel (van een rekening)’ [13e eeuw; TLF], of parcel ‘gedeelte’ [1331; Godefroy], ontleend aan middeleeuws Latijn particel(l)a, ook parcella, ‘deel, stuk’ [754; Niermeyer], een variant van Latijn particula ‘deeltje, detail’, verkleinwoord van pars (genitief partis) ‘deel’, dat verwant is met parere ‘baren, voortbrengen’, zie → part.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

perceel [pand, stuk land] {parceel, perceel [een deel, vooral van landerijen] 1350} < frans parcelle [deel, perceel], teruggaand op latijn ∗particella, variant van particula [deeltje, stukje], verkleiningsvorm van pars (2e nv. partis) [deel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

perceel znw. o., mnl. perceel, percheel, perseel naast ouder parceel, parcheel, partseel ‘deel, voorwerp, artikel, kwestie’, evenals mnd. parcēl o. ‘deel, stuk, artikel, voorwerp’, ne. parcel ‘deel, stuk’ < fra. parcelle < vulg. lat. particella, voor lat. particula.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

perceel znw. o., mnl. perceel (percheel, perzeel) naast ouder parceel, -cheel, -tseel o. “deel, voorwerp, artikel, quaestie”. Evenals mnd. parcêl o. “deel, stuk, artikel, voorwerp”, eng. parcel “deel, stuk”. ontleend uit fr. parcelle “id.” (< lat. particella).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

perceel o., ouder parceel, uit Fr. parcelle, dimin. van part 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

perseel s.nw.
Onderverdeelde stuk grond, veral vir geboue.
Uit Ndl. perceel (al Mnl.).
Ndl. perceel uit Fr. parcelle 'deel, perseel'.
D. Parzelle, Eng. parcel.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

perceel’ (het, percelen), 1. stuk grond, i.h.b. landbouwgrond, in het bezit van één eigenaar. En ik moet alleen op mijn perceel werken. Mijn vrouw moet niet op het perceel komen, alleen in huis zitten en alles schoon maken (Doelwijt 1971: 14). Om vijf uur zitten zij in het gras van een verlaten weiland ver buiten het lawaai van de stad. Op de percelen aan weerszijden grazen koeien en ezels op grote afstanden van elkaar (Vianen 1969: 78). Het huis was niet groot, maar keurig geschilderd en stond alleen vooraan een groot perceel (Ferrier 1968: 136). - 2. als op een p. tevens een woning staat, kan het nummer van dat p. als huisnummer dienst doen; dan vaak afgekort tot perc. Toen maakte oom Albert een mooi bord, waarop stond ’Albert Stanley Kraal’’Perceel 35’ (Barnard 11). Oppashuis* Vanessa gevestigd aan de Rembrandtstr. perc. 3345 () geopend van 6.30 tot 2.30 (DWT 31-3-1981, in adv.). - Etym.: In de SN bet. is de notie dat een p. een deel van een groter geheel moet zijn (geweest), verloren gegaan, dit i.t.t. in het AN. - Zie ook: perceelland*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

perseel: stuk grond; Ndl. perceel (Mnl. perc(h)eel/perseel, naas parc(h)eel/partseel, “deel”), soos Eng. parcel, “deel; stuk”, uit Fr. parcelle uit Ll. particella uit Lat. particula (dim. v. pars (gen. partis), “deel”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

perceel (Frans parcelle)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

perceel ‘pand, stuk land’ -> Zweeds persedel ‘onderdeel van militaire uitrusting, kledingstuk’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch pérsil ‘stuk land, lap grond; huis, pand, localiteit’; Javaans persil ‘stuk grond; Europese landbouwonderneming’; Madoerees pērsel, pērsīl ‘perceel, onderneming, landelijke onderneming’; Surinaams-Javaans persil ‘stuk landbouwgrond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

perceel pand, stuk land 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut