Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pepermunt - (lekkernij; volksnaam of oude naam voor watermunt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pepermunt zn. ‘bepaald snoepgoed’
Nnl. Peper-Munte “Mentha Piperita” (kruid) [1778; WNT], pepermentjes ‘pepermuntjes’ [1841; WNT], pepermunt en citroenpastillen [1868; WNT steken], als telbaar zn. vaak in de verkleinvorm: De bekende pepermuntjes worden bereid uit ... [1869; iWNT].
Vertaling van de Latijnse naam van de plant, mentha piperata (“gepeperde munt”), mogelijk onder invloed van Engels peppermint ‘pepermunt’ [1696; OED] of Duits Pfefferminze ‘id.’ [18e eeuw; Pfeifer], samengesteld uit peper (zie → peper) en munt, zie → munt 2. Het kruid is grondstof voor het snoepgoed.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pepermunt [lekkernij] {1778} gemaakt van de pepermuntolie, van peper + munt2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pepermunt znw. v. ook peperment ‘mentha piperata’, vgl. nhd. pfeffermünze, -minze, ne. peppermint, een samenstelling van peper en munt 2. — > russ. pipermént (vgl. R. v.d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 68).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pepermunt znw., niet mnl., niet bij Kil. Internationale benaming voor lat. mentha piperita. Zie munt II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pepermunt v., : z. munt. Zoo genoemd wegens den scherpen smaak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

piperement, pimperepent, pu(m)perement zn.: pepermunt. Het tweede lid is Wvl., Mnl. mente ‘munt’, Vnnl. mente ‘mentha’ (Kiliaan). Fr. menthe < Lat. mentha < Gr. minthê. Let op de zo frequente epenthetische nasaal m. Pu(m)perement door ronding van de i tot u onder invloed van de bilabiale p en m, vgl. dial. pupe < pipe ‘pijp’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

peperment s.nw. Ook pipperment.
1. Tipe plant met 'n skerp smaak waaruit olie gepers word. 2. Lekker met die olie van die peperment (peperment 1) gegeur.
Uit gewestelike Ndl. peperment (1778 in bet. 1, 1862 in bet. 2), meer alg. pepermunt, 'n samestelling van peper 'tipe skerp spesery' en ment 'tipe plant', so genoem vanweë die sterk aromatiese karakter van die plant.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peperment: – pepermunt – , 1. pln. (Mentha piperita, fam. Labiatae – by Mar 128 net “mint”, maar by dPl S 214 peperment); ook Ndl. peperment/-mint/-munt vir spp. Mentha by Heuk 155; 2. gegeurde lekkers m. skerp smaak (ben. aan geur v. plant ontln.); (oor wd. op -ment v. Kem WFA 429-30).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pepermunt (Engels peppermint)

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Méntha | Méntha aquática: Watermunt
De naam Mentha - neemt men aan - heeft zijn ontstaan te danken aan een sage van Ovidius. Zie zijn Metamorphosen x 728-731. Deze sage luidt dat de dochter van de watergod Cocytus, Menthe of Minthe geheten, door Hades de god van de onderwereld bemind werd, maar door zijn jaloerse echtgenote Persephone in deze plant veranderd werd. Volgens anderen zou de naam afkomstig zijn van minthos, waarmede de Grieken iets sterk riekends aanduiden. Bij de Grieken werd de Munt als een heilig kruid beschouwd en men gaf de doden een bosje Munt mede. Dit gebruik moet wel zeer oud zijn, want in Oudegyptische graven uit 1200-600 voor Chr. treft men reeds dergelijke bundeltjes aan. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze afkomstig van de Pepermunt (M. piperíta), een kweekproduct. Dat de namen Balsem, Boerenbalsem (ook Wilde balsem komt voor) in Friesland, en Balsemkruid zonder plaatsaanduiding, in dezelfde richting zouden kunnen wijzen, willen we niet zonder meer afwijzen, maar wij denken hier meer aan het gebruik als huismiddeltje, vermengd met olie, ter bestrijding van kwalen of euvels. De naam Boerenbalsem duidt wel sterk in die richting. Dat het niet erg hoog als geneesmiddel stond aangeschreven, zouden we kunnen opmaken uit de volgende volksnamen: Paddebalsem, eveneens in Friesland, en Kikkerbalsem, zonder meer door Heukels vermeld. Een en ander zal wel in verband staan met benamingen uit de vroege middeleeuwen waar wij namen tegenkomen als Balsamita en Balsemkrut. Het valt verder op dat deze namen voorkomen in Friesland en nergens anders. De namen zonder nadere plaatsaanduiding laten we hier buiten beschouwing, omdat hieromtrent geen gegevens ter beschikking staan.
De naam Aalkruid en Oalkruud, op de Noord-Veluwe aan de plant gegeven, kreeg zij omdat zij bij het stoven van aal werd gebruikt om het geheel een aromatische geur en smaak te geven.
Hetzelfde zal gezegd kunnen worden van Wild Bakkruid op Walcheren, waarbij de plant aan het baksel meer geur en smaak geeft. De namen Broene Bèrend in Salland, en Bruine griet in Noord-Overijsel wijzen op de donkere stengels. Het toevoegen van persoonsnamen komt meer voor, heeft veelal geen speciale betekenis en is in de regel zeer plaatselijk.
Hondekruid in Groningen zal wel in verband staan met het feit dat deze sterk geurende plant een grote aantrekkingskracht op deze dieren uitoefent. De naam Broekmint in Zuid-Limburg duidt op de groeiplaats: in het broek, dat wil zeggen drassig land. Hierop duidt eveneens zowel de Nederlandse soortnaam als ook de wetenschappelijke: aquatica: waterbewonend. De algemeen voorkomende naam van Kruizemunt en dialectische en gewestelijke vormen als Kroezemunt, Kruizemuntkruid, Kruzemint, Kruzemünt en Wilde kruizemunt, hebben hun naam te danken aan de gekweekte Kruizemunt, omdat beide in geur wel enige overeenkomst hebben. Dit Kruizemunt is een verbastering van kroeze- of gekroesde munt, naar de gekrulde of kroesvormige bladeren. Het is een oude benaming, want in het Middelnederlands treffen we aan: Crusemunte, of Cruysemunte. De pepermuntachtige geur bezorgde de Watermunt ook namen als Pepermuntkruid in West-Friesland, Pepermunt in Groningen, en Pepermuntkruid in Noord-Overijsel, het Utrechtse en Zuidhollandse gebied en op nog enkele andere plaatsen. Eveneens op de geur is de volgende naam ingesteld en wel Roekeblad uit het Sallandse; dit roeke is als een verbastering van reuk op te vatten.
De naam Rode wilde munte is afkomstig van Dodonaeus, want in de uitgave van 1608 schrijft hij: ‘Dit cruyt wordt in Griex Sisymbrion geheeten, int Latijn Sisymbrium, int Hoochduytsch Ross muntz, Wassermuntz in Fransch Menthe Sauvage. Wij moghent int Neerduytsch Roode wilde munte noemen om dat van de Witte wilde Munte te onderscheyden.’ Waarschijnlijk is de naam Rossemunt uit het Groningse overgenomen van het Duitse Ross Muntz. In het Middelhoogduits treffen we de naam Rosminte aan en Pritzel und Jessen geven in hun Die deutschen Volksnamen der Pflanzen Rosmynte op, voorkomend in de ‘Niederdeutsche Herbarius’ van 1483. Min of meer verbasterd is de naam Rossement, voorkomende in oostelijk Noord-Brabant en het Zuidhollandse. Men wil Rossemunt of Rossemint ook verklaren als afkomstig van ros: paard en munt; dus paardemunt of Paardepolei, een naam die we ook als Paarde(n)blei (Hattem) opgetekend vinden. Nu is Polei eveneens een muntsoort, hetgeen wel blijkt uit de wetenschappelijke naam: Méntha pulégium, een plant die thans bij ons zeer zeldzaam geworden is. Het verband met het woord paard zou gezocht moeten worden in het feit dat paarden afkerig zijn van hooi waarin Watermunt voorkomt.
De pepermuntachtige geur was reden de plant vroeger te gebruiken om zich van lastig gedierte te ontdoen of deze althans van het lijf te houden. We vinden dit gebruik terug in de naam Vlooienkruid in West-Friesland en het Zuidhollandse.
Als geneeskruid stond dit geurende kruid ook in de belangstelling. Het is thans niet meer na te gaan of dit altijd de Watermunt geweest is. We zullen ons hierin dan ook niet verdiepen en genoegen nemen met het Duitse gezegde: ‘Rheum [rabarber] und Menthe, Sind die besten Medikamente.’

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pepermunt ‘lekkernij’ -> Deens pebermynte ‘lekkernij’ (uit Nederlands of Duits); Noors peppermynte ‘lekkernij’; Russisch pipermént, pepermént ‘pepermunt, middel tegen de hoest’; Indonesisch permén ‘lekkernij’; Jakartaans-Maleis permèn ‘snoepjes’; Javaans permèn ‘lekkernij’; Madoerees pērmen ‘snoepjes, pepermunt’; Sasaks pĕrmen ‘pepermunt, suikertjes’; Papiaments † pepermint ‘lekkernij’; Sranantongo pepreminti, peprementi ‘lekkernij’; Surinaams-Javaans permèn ‘lekkernij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pepermunt lekkernij 1778 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal