Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peper - (specerij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

peper zn. ‘specerij’
Mnl. pepere ‘peper’ [1220-40; VMNW], peper ‘id.’ [1240; VMNW]; vnnl. Peper van Indien ‘Spaanse peper’ [1543; Fuchs, 281].
Zeer vroege ontlening aan Latijn piper ‘peper’, ontleend aan Grieks péperi ‘id.’, zelf een oosters leenwoord, uit Middel-Indisch pipparī, vergelijk Sanskrit pippalī ‘peper’.
Aanvankelijk waren hier alleen de peperbesjes van de peperstruik (vooral Piper nigrum) bekend. Na de ontdekking van Amerika kwamen daar andere soorten peper bij, zoals Spaanse peper (van het geslacht Capsicum).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peper [specerij] {pe(i)per 1220-1240} < latijn piper < grieks peperi [peper], teruggaand op oudindisch pippalī [peperbes, peperkorrel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peper znw. m., mnl. pēper m., evenals mnd. pēper, ohd. pfeffar (nhd. pfeffer), ofri. piper-, oe. pipor (ne. pepper) en uit dit laatste on. piparr, pipari. Zeer vroeg ontleend (nog voor de hd. klankverschuiving en de migratie van de Angelen en Saksen naar Engeland) < lat. piper, dat zelf weer ontleend is aan gr. péperi, dat al of niet over het perzisch teruggaat op middelind. pippari voor oi. pippalí.

Het lat. woord is in alle europese talen overgenomen, zoals ital. pepe, fra. poivre, bret. pebr, pibr, kymr. pybyr, pubyr, oiers piobhar, osl. pĭprŭ, lit. pipìras, fins pippuri.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peper znw., mnl. pēper m. = ohd. pfëffar (nhd. pfeffer), mnd. pēper m., ofri. piper- (in samenst.), ags. pipor (eng. pepper), on. piparr m. “peper”. Een vroege ontl. uit lat. piper “id.” < gr. péperi, een indirecte ontl. uit oi. pippalī́-, *pipparî- “piper longum”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peper v., Mnl. id., gelijk Hgd. pfeffer, Eng. pepper, Fr. poivre, uit Lat. piper, van Gr. péperi, Skr. pippalī.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1peper s.nw.
Tipe skerp spesery.
Uit Ndl. peper (al Mnl.).
Ndl. peper uit Latyn piper.
D. Pfeffer, Eng. pepper.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pe’per, A. zn. (de, -s), 1. Spaanse peper, cayennepeper, lombok (de vrucht van Capsicum-soorten, Tomaatfamilie*). Het zoutvlees* wordt kritischer dan kritisch gekeurd, en er wordt volstaan met maar vijftig cent* pepers ofwel vijf stuks; drie voor de keuken en twee voor de papegaai*, de stakker (Hangalampoe 1 (2): 24; 1973). - 2. sambal, chutney en dergelijke peperige preparaten. Urmi* zet* de peper altijd op de rand van haar bord, maar ik doe het door de rijst. - B. bn., bw., 1. peperig, scherp smakend, heet. Alfred bracht een kleine prapi* vol gindja-biri [S, gemberbier] voor ons. Het was geweldig peper, maar we dronken (Hijlaard 77). - 2. brandend heet (gezegd van de zonnestralen). - 3. (scholierentaal) moeilijk (gezegd van leerstof, proefwerk e.d.). - Etym.: S pepre heeft alle genoemde bet. van p. Oudste vindpl. van 1 Beijer 1823. De twee pepersoorten die in het AN kortweg als ’peper’ worden aangeduid (afkomstig van Piper-soorten, Anijsbladfamilie*), noemt men in Sur. altijd voluit ’witte peper’ en ’zwarte peper’. - Zie i.v.m. A. 1 ook Madame* Jeannette, alata(kaka)-pepre*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peper: skerp prikkelende spesery; Ndl. peper (Mnl. peper), Hd. pfeffer, Eng. pepper, vroeg ontln. aan Lat. piper (wu. Fr. poivre) uit Gr. piperi uit Skt. pipali.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

peper (Latijn piper)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

peper. De verwensing ga waar de peper groeit! betekent ‘loop naar de duivel, maak dat je weg komt’. Volgens Huizinga (1997: nr. 7855) dateert zij uit de late Middeleeuwen, toen men hier algemeen wist dat de peper van ver weg kwam, zonder echter de naam van het land te kennen. → peperland.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peper ‘specerij’ -> Fries peper ‘specerij’; Noord-Sotho pepere ‘specerij’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana pherefere ‘specerij’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa pepile ‘specerij’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe pelepele ‘specerij’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho pepere ‘specerij’ (uit Afrikaans of Engels); Munsee-Delaware pi:pel ‘specerij’; Unami-Delaware pépǝl ‘specerij’; Negerhollands pepper, pēpu ‘specerij’; Papiaments peper ‘specerij’; Sranantongo pepre ‘Spaanse pepersoorten, sambal’; Aucaans pepee ‘specerij’; Saramakkaans pepè ‘specerij; peperstruik’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pepu ‘specerij’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peper specerij 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1111. (Van) katoen geven,

buitengewoon zijn best doen; iemand duchtig afranselen, dial. iemand katoenen, iemand afranselen; de les lezen. In tooneeltaal verstaat men er onder zinnen met overdreven stemuitzetting en kracht zeggen; hol pathos; syn. van van draad geven of (hem) van hakkiedou geven (Onze Volkstaal III, 254; Handelsblad, 7 Maart 1917 (O), p. 3 k. 2Een werkelijke actrice, die zooals 't heet ‘'m van hakkidouw gaf’., naast een ww. hakkidouwen in Handelsblad, 17 Juni 1919 (A): Soberheid in elke uiting, ‘hakkidouwen’ is gedaan; het tooneel moet ons ontroeren, zonder lach en zonder traan). De uitdr. is algemeen bekend ook in den vorm katoen geven in Zuid-Nederland; zie Molema, 197: Van ketoen geven, er dapper op inslaan, uit alle macht werken, kloppen, enz.; Gunnink, 146; Nkr. IV, 15 Mei p. 2; 8 Mei p. 4; VI, 1 Juni p. 3; 14 Sept. p. 2; 9 Nov. p. 4; Zondagsblad v. Het Volk. 2 Mei 1914, p. 1 k. 2: Hij sprak als deelde hij meppen uit; hier een en daar een, en geef-'m-van-katoen; Handelsblad, 18 Sept. 1913 (ochtendblad), p. 1 k. 6: Zelf speelde de heer Schwab den aanvoerder der familie, graaf Ladislaus. Het deed deugd hem zoo ‘van katoen’ te zien geven; 27 April 1913, p. 1: In Paljas gaf hij 'm te veel van katoen, wellicht aangemoedigd door het applaus, dat des te sterker weerklinkt, naarmate het spel pathetischer is; Zondagsblad van Het Volk, 25 Oct. 1913, p. 1 k. 2: Ha, dat pakt! Nou zal ik 'em van katoen geven; Nw. School, VIII, 184: En dan besluit-ie, 'em even modern van katoen te geven; Handelsblad, 5 Sept. 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 4: Mevrouw de Vries geeft 'm van schietkatoen. We sidderen bij 't schermvallen; Schuermans, Bijv. 150; Joos, 79; 't Daghet XII, 187; Rutten, 108: katoengeven, hardloopen, alle pogingen aanwenden om iets te bekomen; Teirl. II, 115: katoen geven, met kracht, drift, geweld te werk gaan; zijn uiterste best doen; fr. donner du coton, donner de la peineLorédan Larchey, I, suppl. 36; nouveau suppl. 68.. Van katoen krijgen, er vanlangs krijgen, vgl. C. Scharten, de Roeping der Kunst, bl. 228: In het derde gedeelte van het tweede hoofdstuk krijgt zóó eerst Neels schoonzuster, de goedhartige en heerschzuchtige Nel, van katoen. In de plaats hiervan zegt men ook lamet -, peper -, scheut -, sneê -, draad -, lonte - (Schuermans), snaar geven (Schuerm. Bijv. 308); klouw geven (Joos, 79); fut -, (van) de kodde -, lament -, van de latte -, van (n)ijken -, van de neute -, krepee -, snoer -, poer of poeier, zwee geven, enz. (zie De Bo), gers of beurze geven (Kl. Brab.), gas, jas, kemp, van den moor, borze geven (Waasch Idiot.); feter geven of krijgen, een pak slaag (Antw. Idiot. 417); gort, gras, wind geven, hardloopen (Kinderspel en Kinderlust I, 67). Blijkens de Zuidnederlandsche uitdrukkingen van de lamet of lament geven, d.i. (van) de lampepit geven, moeten wij onder katoen lampekatoen, katoengaren verstaan, dat in groote rollen kluwens wordt opgewonden en een lange lijn vormt, zoodat we de uitdr. kunnen vergelijken met feter -, bucht -, (van) draad -, snoer -, snaar -, klouw (kluwen) geven en onze uitdr. bocht geven en botgeven. (Van) katoen (geven) beteekent derhalve ruimschoots (eig. waarbij de schoot gevierd is), in volle mate, niet gering, flink geven (zie no. 973) en in toepassing op eenigen arbeid: flink werken, zich krachtig inspannen; of bij een strafoefening: duchtig afranselen, van Delft tot Leiden geven, zooals men in de 17de eeuw zeide, waarvoor men in Groningen, volgens Molema, 538 a, nog zegt: hij krigt van Laiden noa Delft (zie Ndl. Wdb. VIII, 231). Misschien mag ook vergeleken worden iemand trens, laken (zie Schoolm. 254) geven, iemand afrossen; hij geeft 'm van Jetje (eig. sajet? Köster Henke, 28Door Voorzanger en Polak, bl. 165 wordt gedacht aan een verkleinw. van jad, hand.); Haagsche Post, 20 Juli 1918, p. 857, k. 3: Die lui van 't Rembrandtplein geven hem, wat je noemt, geweldig van Jetje; A.v.A.: 'k Ga na 't Zeemanshuis, dan lichten ze je daarover eventjes bij..... van geef 'm jetje; V. Hulzen, Machteloozen, bl. 117; Kunstl. I, 1: Stil toch lieve mins, schreeuw soo niet.... de bure salle denke dat 'k m'n wijfje van jetje geef; Handelsblad 4 Sept. 1915 (avondbl.), p. 6 k. 4: Armzwaaiend vloog ze over de heele breedte van de Bühne, al maar roepend: ‘'t Is vreesselk, 't is vreesselk’. Het was duidelijk: Do wou 'm van Jetje geven; Do wou, bij wijze van verrassing, es laten zien wat ze kon.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal