Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pek - (substantie uit teer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pek zn. ‘substantie uit teer’
Onl. pek in in themo peche ‘in de pek’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. pec ‘pek, teerproduct’ [1240; Bern.], met sulfre ende met pecke ‘met zwavel en met pek’ [1285; VMNW], zelden pic, bijv. in gemaect ... van pic ende van zwavel [ca. 1440; MNW croese], peck daermen die scepen mede peecket ‘pek waar men de schepen mee teert’ [1485; MNW]; vnnl. peck ‘pek’ [1599; WNT], so swart als pik ‘pikzwart’ [1681; WNT pik IX].
Vroege ontlening aan Latijn pix (genitief picis) ‘pek, teer’.
Evenzo ontleend zijn: os. pik (mnd. pik, pek, pēk; door ontlening on. bik, nzw. beck); ohd. beh, peh (nhd. Pech, zie ook → pech); oe. pic (ne. pitch); ofri. pik (nfri. pik); alle ‘pek’. Wrsch. is het woord in het continentaal-West-Germaans als a-stam geïnterpreteerd, dus als *pika-, zodat door a-umlaut -i- > -e-.
Latijn pix is verwant met: Grieks píssa ‘pek’ (Attisch pítta) (< *pik-ja); Oudkerkslavisch picŭlŭ ‘pek’ (Russisch péklo ‘hitte, hellevuur’); < pie. *pik- (IEW 794). Verdere etymologie onduidelijk. Mogelijk is pie. *pi-k- terug te voeren op een afleiding van een wortel *pei-, waarbij dan met ander achtervoegsel ook → vet.
In het Middelnederlands is de vorm pic nog zeldzaam. Pas in het Vroegnieuwnederlands verschijnt de vorm pik vaker; in de samenstelling met zwart wordt pikzwart uiteindelijk de gewone vorm in de standaardtaal, maar voor het niet-samengestelde woord heeft de vorm pek uiteindelijk de vorm met -i- weer verdrongen.
pikzwart bn. ‘zeer zwart’. Mnl. pecswart ‘zeer zwart’ in pecswart es sijn vel ‘pikzwart is zijn vacht’ [1285; VMNW], sie waren pecsward alle drie [1300-50; MNW-R]; vnnl. pecswart, pickswart ‘gitzwart’ in Beyaert is pecswart‘(het ros) Beyaert is pikzwart’ [1508; MNW-R]. Samenstelling van pek en → zwart.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pek [teerproduct] {pec 1201-1250} net als pik1 < latijn picem, 4e nv. van pix [idem].

pik1 [teerproduct] {pic 1390} < latijn picem, 4e nv. van pix [pek, teer] → pek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pik 4 znw. o. of pek, mnl. pec, zelden pic, os. pik, ohd. beh, peh (nhd. pech), ofri. pik-, oe. pic o. (ne. pitch). Het on. bik o. > mnd. pik, maar nde. beg, nzw. beck < mnd. pek. — < lat. picem, nom. pix. De ontlening kan niet later dan de 7de eeuw hebben plaatsgehad, aangezien de lat. c nog als k werd uitgesproken en de klinker in open lettergreep nog niet gerekt was. Bovendien neemt Th. Frings Germ. Rom. 1932, 208-9 aan, dat het woord in het Rijn-frankisch zou zijn overgenomen en zich dan vandaar naar het hd. zou hebben verbreid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pek, pik znw. o., mnl. pec, zelden pic (gen. pēkes) o. (NB. Teuth. peck die . . .). = ohd. bëh, pëh (nhd. pech), os. pik o., ofri. pik- (in samenst.), ags. pic o. (eng. pitch), on. bik o. “pek”. Ontl. uit lat. pix, accus. picem “id.” of een vulgairlat.-rom. vorm hiervan. De chronologie levert moeilijkheden op: eenerzijds wijst de ohd. b, p op ontl. niet vóór de 9. eeuw (zie peer), anderzijds de k op veel vroegere ontl.: anders zou een sibilant of affricata te verwachten zijn (zie kruis), —tenzij wij van den lat. (niet rom.) nominatief zouden willen uitgaan; maar bij vrij late ontl. uit lat. pix is de hd.-ndl. e uit i moeilijk te verklaren. Vgl. nog met b-anlaut ’t eveneens uit lat. pix ontleende ier. “pek”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pek, pik. De chronologische bezwaren, die de ohd. b, p oplevert, zijn opgeheven, als men aanneemt dat het ohd. woord aan het Rijnfrankisch is ontleend: Frings Germ. Rom. 208 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pik 1 v. (pek), Mnl. pec, pic, Os. pik, gelijk Hgd. pech, Eng. pitch, Fr. poix, uit Lat. picem (pix) + Gr. píssa, Lit. pikkis, en verder wellicht Hgd. fìchte = pijnboom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

peek (zn.) pek; Vreugmiddelnederlands pek <1151-1200> < Latien pix.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pik s.nw.
Swart, gomagtige en brandbare stof.
Uit Ndl. pik (Mnl. pic). Mnl. pic is ongewoon, met pec wat meestal gebruik word. In Ndl. is pek die gewone woord.
Mnl. pic, pec uit Latyn picem, akkusatief van pix 'pik, teer'.
D. Pech, Eng. pitch.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

pik I: gomagtige stof uit naaldbome; Ndl. pek/pik (Mnl. pec/pic), Hd. pech, Eng. pitch, ’n vroeë ontln. aan Lat. pix (gen. picis), wu. It. pece, Fr. poix, “naaldboomgom”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pek (Latijn picem, 4de nv.)
pik ‘pek’ (Latijn picem, 4de nv.); (de -- op iemand hebben) (Frans pique)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie met pek omgaat wordt ermee besmet, wie met slechte mensen omgaat, wordt zelf ook slecht.

Jezus Sirach 13 begint met het vers: 'Wie met pek omgaat wordt ermee besmet, / wie met een hooghartig mens omgaat wordt aan hem gelijk' (NBV). De betekenis is duidelijk. Het spreekwoord wordt nog regelmatig gebruikt in de jongere vorm, die ontstaan is uit oudere varianten als die peck aenroert e.d., zoals in de Statenvertaling (1637).

Statenvertaling (1637), Jezus Sirach 13: 1. Die peck aenroert, wort daermede besmet: ende die met den hooveerdigen gemeenschap heeft, wort hem gelijck.
Of we nu via de verwesterste kaste dan wel de stamhoofden werken: wie met pek omgaat wordt ermee besmet. Wie schone handen wil houden blijve thuis. (NRC, aug. 1994)
Het geschreven Brakman-portret dat Atte Jongstra liet opnemen in Het litteraire klimaat 1986-1992 laat nog eens zien dat wie met pek omgaat ermee besmet wordt. (De Tijd, 24-2-1995)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

pik In 1929 in Groningen gehoord voor ‘jenever’. Onlangs is het in deze betekenis nog in Noord-Brabant gesignaleerd. In Groningen riepen ze vroeger pik is hait! ‘pik is heet’ als ‘waarschuwing voor ’t werkvolk op de helling, als ze een borrel krijgen’. Ter Laan, de samensteller van het belangrijkste Groningse woordenboek, schrijft dit bij pik in de betekenis ‘pek, zwarte, kleverige en zeer brandbare stof’. De naam zal op jenever zijn overgegaan vanwege de scherpe, ‘brandende’ smaak ervan. In Noord-Brabant wordt een borreltje ook wel potje teer genoemd.

[Ter Laan 1929:753]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pik (pek): het Lat. picem, 4e nv. van pix.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pek ‘teerproduct’ -> Deens beg ‘teerproduct’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bek ‘teerproduct’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests pigi ‘teerproduct’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect péke, pêke ‘zeer dik teer’; Russisch pek ‘teer’; Oekraïens pek ‘teer’ ; Indonesisch pék ‘teerproduct’; Jakartaans-Maleis pèk ‘asfalt’; Japans penki ‘verf’; Koreaans p'aengk'i, p'aengkki ‘verf’ ; Negerhollands pech ‘teerproduct’ (uit Nederlands of Duits); Papiaments † pek ‘teerproduct’; Arowaks pesi ‘teer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pek teerproduct 1240 [Bern.] <Latijn

pik teerproduct 1390 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

883. Heintje Pik.

Dit is eene benaming voor den duivel, die in de 17de eeuw wordt aangetroffen, en waarin Hein genomen is als een zeer bekende naamVgl. mnl. Heinde ende Han, Jan Alleman; hd. Heinz und Kunz., zooals wij thans Jan bezigen. Zie o.a. Kluchtspel II, 200:

Doe ick ereys in me droom in de Hel was,
Het staet me noch wel veur, hoe Heyntje-Pick soo fel was.

Zoo ook III, 65; Snorp. II, 13: Henckje Pik en vgl. de Klucht v. Oene, 221: De Kox worden 'er (in de hel) estroopt en an et spit esteken, en mit Heyntje-mans peckstock bedroopt. In de Gew. Weuw. II, 17 heet de duivel, evenals dial. nog wel, Haantje PikZie ook Ndl. Wdb. V, 1392; fri. hântsje pik.; elders Pikheintje; Heintje Peuzel, Heintje Peus (vgl. Ndl. Wdb. XII, 1454). Zie voor vele plaatsen en benamingen in vroeger tijd Noord en Zuid XXVI, 385-401. De benaming zal eigenlijk willen zeggen: Hein met de pik (of den pikstok) Of moeten we denken aan de zwarte kleur van den duivel, evenals wellicht bij de 18de-eeuwsche benaming de pikken (uit de helDe Jager, Frequentatieven II, 426, en Brandaen, vs. 988: Pec hadden hem die helsche vianden ghewreven an lijf ende an baert.)? In Zuid-Nederland; Heintje-Pik (Teirl. II, 24; Antw. Idiot. 1753); Pietje Pek; Zwart Pietje; Pietje de dood; Hansken Peck; Mannekenpek of Pekmanneken (zie Claes, 141); Moontjepek (Antw. Idiot. 832Zie Taal en Letteren XV, 246-249; Tijdschrift XL, 170 noot 2.). Dat ook de dood vriend of oom Hein (hd. Freund Hein) en magere Hein genoemd wordt, is bekend; voor de verklaring vgl. Tante Meyer , Oom Jan en zie Ndl. Wdb. VI, 478. (Aanv.) Zie nog andere benamingen in Ndl. Wdb. XII, 1771 en vgl. den naam pikken, waarschijnlijk het stoffelijk bnw. van pik als znw. gebruikt (zie Ndl. Wdb. XII, 1801).

883. Heintje Pik.

Dit is eene benaming voor den duivel, die in de 17de eeuw wordt aangetroffen, en waarin Hein genomen is als een zeer bekende naamVgl. mnl. Heinde ende Han, Jan Alleman; hd. Heinz und Kunz., zooals wij thans Jan bezigen. Zie o.a. Kluchtspel II, 200:

Doe ick ereys in me droom in de Hel was,
Het staet me noch wel veur, hoe Heyntje-Pick soo fel was.

Zoo ook III, 65; Snorp. II, 13: Henckje Pik en vgl. de Klucht v. Oene, 221: De Kox worden 'er (in de hel) estroopt en an et spit esteken, en mit Heyntje-mans peckstock bedroopt. In de Gew. Weuw. II, 17 heet de duivel, evenals dial. nog wel, Haantje PikZie ook Ndl. Wdb. V, 1392; fri. hântsje pik.; elders Pikheintje; Heintje Peuzel, Heintje Peus (vgl. Ndl. Wdb. XII, 1454). Zie voor vele plaatsen en benamingen in vroeger tijd Noord en Zuid XXVI, 385-401. De benaming zal eigenlijk willen zeggen: Hein met de pik (of den pikstok) Of moeten we denken aan de zwarte kleur van den duivel, evenals wellicht bij de 18de-eeuwsche benaming de pikken (uit de helDe Jager, Frequentatieven II, 426, en Brandaen, vs. 988: Pec hadden hem die helsche vianden ghewreven an lijf ende an baert.)? In Zuid-Nederland; Heintje-Pik (Teirl. II, 24; Antw. Idiot. 1753); Pietje Pek; Zwart Pietje; Pietje de dood; Hansken Peck; Mannekenpek of Pekmanneken (zie Claes, 141); Moontjepek (Antw. Idiot. 832Zie Taal en Letteren XV, 246-249; Tijdschrift XL, 170 noot 2.). Dat ook de dood vriend of oom Hein (hd. Freund Hein) en magere Hein genoemd wordt, is bekend; voor de verklaring vgl. Tante Meyer , Oom Jan en zie Ndl. Wdb. VI, 478. (Aanv.) Zie nog andere benamingen in Ndl. Wdb. XII, 1771 en vgl. den naam pikken, waarschijnlijk het stoffelijk bnw. van pik als znw. gebruikt (zie Ndl. Wdb. XII, 1801).

1794. Wie met pek (pik) omgaat, wordt er mee besmet,

d.w.z. wie met slechte menschen omgaat, neemt iets van hunne eigenschappen over; eene gedachte, die in het mlat. wordt uitgedrukt door: tangentem cacabi maculat fuligo vetusti; si pice tangeris vel tangis, tu maculeris; pix contacta sui manibus palponis adhaeret. In het Mnl. bij Hild. 254, 68: Soo wye dat in den peke roeret, onreynicheit dat hi daer of voeret; Doct. II, 577; Sp. der Sonden (Proza), 58: Die dat pec handelen, sal daer aff besmet werden; Dial. Eggaert, 176: Die bi den pecke wandelt, hi worter bi wilen of besmet; in de Prov. Comm. 254: Die byden picke wandelt wort daer af besmet, pix dum palpatur, palpans manus huic maculatur; Campen, 87: weel mit pick om gaet, an dien cleefdet geerne; hetzelfde als: die mit den croepels omgaet leert wel hincken (Harreb. III, 268); die oly uyt-meet, wert-er vet van; en die ter molen gaet, en kan niet ontgaen, wit te werden (De Brune, Bank. II, 50); vgl. Anna Bijns, Refr. 35: Raect den teerpot niet, oft ghij sult u bepecken; Nieuwe Refr. 25: Diet peck wilt naken, sal hem besmetten; V.d. Venne, 197: Befoolje peck, ghy krijght een vleck; enz. Zie Harreb. III, 315 b; Jez. Sirach XIII, 1; Bebel no. 347; Taalgids V, 181; Villiers, 99; Lat. Versch. 418: Die by het pick wandelt, die wort daer van besmetKantt. op den St.-Bijbel, Jozua 23, 7.; Joos, 150; Villiers, 99; fri.: dy 't mei pik omgiet wirdt er mei bismet; Grimm VII, 1517; Eckart, 399; Wander III, 1200, waar uit zeer vele talen deze uitdr. geciteerd wordt; vgl. hd. wer Pech anfaszt besudelt sich; wer mit Hunden zu Bett geht, steht mit Flöhen auf; eng. who messes with pitch may dirty himself; you can't touch pitch and have clean hands; fr. qui couche avec les chicns se lève avec les puces; on ne saurait manier du beurre qu'on ne s'engraisse les doigts.

1794. Wie met pek (pik) omgaat, wordt er mee besmet,

d.w.z. wie met slechte menschen omgaat, neemt iets van hunne eigenschappen over; eene gedachte, die in het mlat. wordt uitgedrukt door: tangentem cacabi maculat fuligo vetusti; si pice tangeris vel tangis, tu maculeris; pix contacta sui manibus palponis adhaeret. In het Mnl. bij Hild. 254, 68: Soo wye dat in den peke roeret, onreynicheit dat hi daer of voeret; Doct. II, 577; Sp. der Sonden (Proza), 58: Die dat pec handelen, sal daer aff besmet werden; Dial. Eggaert, 176: Die bi den pecke wandelt, hi worter bi wilen of besmet; in de Prov. Comm. 254: Die byden picke wandelt wort daer af besmet, pix dum palpatur, palpans manus huic maculatur; Campen, 87: weel mit pick om gaet, an dien cleefdet geerne; hetzelfde als: die mit den croepels omgaet leert wel hincken (Harreb. III, 268); die oly uyt-meet, wert-er vet van; en die ter molen gaet, en kan niet ontgaen, wit te werden (De Brune, Bank. II, 50); vgl. Anna Bijns, Refr. 35: Raect den teerpot niet, oft ghij sult u bepecken; Nieuwe Refr. 25: Diet peck wilt naken, sal hem besmetten; V.d. Venne, 197: Befoolje peck, ghy krijght een vleck; enz. Zie Harreb. III, 315 b; Jez. Sirach XIII, 1; Bebel no. 347; Taalgids V, 181; Villiers, 99; Lat. Versch. 418: Die by het pick wandelt, die wort daer van besmetKantt. op den St.-Bijbel, Jozua 23, 7.; Joos, 150; Villiers, 99; fri.: dy 't mei pik omgiet wirdt er mei bismet; Grimm VII, 1517; Eckart, 399; Wander III, 1200, waar uit zeer vele talen deze uitdr. geciteerd wordt; vgl. hd. wer Pech anfaszt besudelt sich; wer mit Hunden zu Bett geht, steht mit Flöhen auf; eng. who messes with pitch may dirty himself; you can't touch pitch and have clean hands; fr. qui couche avec les chicns se lève avec les puces; on ne saurait manier du beurre qu'on ne s'engraisse les doigts.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut