Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peilen - (zeevaart) positie bepalen; diepte van water meten; proberen te doorgronden

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pegelen* [peilen, ijken] {1433} van pegel1 [staaf om gaten in de grond te prikken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peilen ww., mnl. pēgelen ‘merken, ijken; hoogte waterstand onderzoeken; het gehalte onderzoeken’, mnd. pēgelen is een afl. van pegel. — > nhd. peilen (sedert 1657 peyelen, vgl. Kluge, Seemannssprache 610).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pegelen, peilen ww., mnl. pēghelen, peilen “pegelen, merken (van maten voor vloeistoffen), peilen, diepgang of laadruimte onderzoeken, ’t gehalte onderzoeken”. = mnd. pēgelen “pegelen, peilen”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

peugelen, ww.: mikken. Door klinkerronding na p < pegelen ‘ijken, peilen, een maat vaststellen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pegelen (G, W, ZO), ww.: spaarzaam bedelen, karig bedelen. Uit de bet. 'pegelen, ijken, roeien, peilen, een bepaalde maat toepassen' ontwikkelde zich de bet. 'krenterig toebedelen'. Zie pegel. Afl. pegeleer, Wvl. pekelare, pekelere, pegelare 'gierigaard, krenterig mens'. Samenst. pegelheks (W) 'gierig wijf', pekelteef (B, G), pekelteve (ZV) 'feeks'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2peil ww.
1. Diepte of hoogte meet. 2. Deurgrond, ondersoek, verstaan.
Uit Ndl. peilen (al Mnl. in bet. 1, 1630 in bet. 2). Mnl. peilen is 'n wisselvorm van pegelen.
D. peilen.
Vgl. 1peil.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

peugelen mikken (Zuidoosten van Belgisch-Limburg). = pegelen ‘meten’. Het vergelijkingspunt is het precieze: eu misschien (mede) onder invl. van beugelen.
Album Blancquaert 297.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pegelen (DB, B, O), pekelen (K, DB), ww.: pegelen, ijken, roeien, peilen; een bepaalde maat toepassen, krenterig toebedelen. Zie peil. Afl. pekelere, pekelare, pegelare ‘krenterig mens, krent, die alles nauwkeurig afmeet’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peil: s.nw. en ww., hoogtemerk; hoogtepunt; gehalte, standaard; Ndl. peil (Mnl. peil(e), 17e-eeuse Ndl. ook peyl naas pēghel), “maatteken; waterstandsteken; hoogte-/diepteteken”, wu. Hd. (18e eeu) pegel, “waterstandsteken”. herk. onseker; afl. hiervan is ww. Ndl. peilen (Mnl. pēgelen), “diepte/hoogte/gehalte meet”, ook in Hd. (1657) as peilen/peyelen, mntl. verb. m. Eng. pail.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peilen ‘(zeevaart) positie bepalen; diepte van water meten; proberen te doorgronden’ -> Duits peilen ‘(zeevaart) positie bepalen, diepte van water meten’; Deens pejle ‘zich oriënteren, een indruk van iemand krijgen, (zeevaart) positie bepalen, diepte van water meten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors peile ‘positie bepalen, diepte van water bepalen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pejla ‘richting of positie bepalen; diepte meten’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins † peilata ‘diepte meten; plaats bepalen’ ; Ests peilada ‘diepte meten; plaats bepalen’ ; Macedonisch pelengira ‘plaats bepalen, zowel in zeevaart met een kompas, als met radiogolven’; Servisch pelengirati ‘plaats bepalen, zowel in zeevaart met een kompas, als met radiogolven’; Lets peilēt ‘(zeevaart) positie bepalen’; Litouws pelenguoti ‘(zeevaart) positie bepalen’; Papiaments peilu ‘goed bekijken, met de blik meten’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1792. Peil trekken op iemand of iets,

d.i. staat maken op, gewoonlijk met de ontkenning op iemand (of iets) geen peil kunnen trekken, op iemand of iets geen staat kunnen maken, geen gissing kunnen maken; 17de eeuw: er niet op kunnen glozen.

De zegswijze is ontleend aan het zeewezen, waar men onder peilen verstaat het door middel van een peiltoestel, dat op het kompas in het horizontale vlak beweegbaar is, bepalen van de plaats, waar men zich op zee bevindt. Voor die peiling richt men zich op een vast punt, eene plaats, die met zekerheid bekend is (bijv. een vuurtoren), het peil genoemd. Men noemt dit in de peiling nemen (vgl. B.B. 10: Iederen keer als hij naar het kompas keek en het vuur van Hilligermond in de peiling nam). Iets peilen, iets in de peiling nemen, peil trekken op iets beteekent zijn bestek maken; zijne raming, gissing, berekening maken op iets; zoo kan men een vuurtoren peilen, den hoek bepalen; de kust peilen, waarnemen en bepalen hoever zij van een schip is verwijderd en in welke richting zij ligt; vandaar overdrachtelijk: geen peil kunnen trekken op iemand, geen berekening kunnen maken op iemand, niet op iemand af kunnen gaan, niet op iemand kunnen vertrouwen, geen staat kunnen maken op iemand. In dezen zin komt de uitdr. in de 18de eeuw voor in het Boere-krakeel, 136: Daer op is nog gien peil te trekken; zie ook Harreb. II, 182 a; Nest, 29; Nederland, 1914, II, 8; Ndl. Wdb. XII, 930; Molema, 316: d'r is gijn pail op te trekken; Villiers, 97.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal