Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peil - ((merkteken voor een) vloeistofniveau, vastgestelde maat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

peil zn. ‘(merkteken voor een) vloeistofniveau, vastgestelde maat’
Mnl. peghel, peyl ‘(merkteken voor een) vloeistofniveau’ in Om ... die moolne ... op haren peghel ende oude bedde te houdene ‘om de molen op hetzelfde niveau en op zijn oude grondslag te kunnen houden’ [1369; MNW], vaten ... te leveren biden peil die daer is daerment vercoopt ‘vaten (met bier), af te leveren met dezelfde vloeistofinhoud als op het moment van verkoop’ [1404-48; MNW]; vnnl. peyl ‘vastgestelde maat, ijk’ in gewichte na den pyle berustende in de Rekenkameren [1509; iWNT], ook overdrachtelijk ‘richtsnoer, kenmerk’ in een peyl ... van veyle eerbaerheit ‘een teken ... van veile (te koop zijnde) eerbaarheid’ [1620; iWNT].
Oorspr. een Hollandse nevenvorm van mnl. peghel, ontstaan door Noordzee-Germaanse samentrekking van onl. -egi- > -ei-, zoals ook in → dweil.
Mnd. pegel ‘peil, maat’ (waaruit nhd. Pegel); oe. pægel ‘koelvat’ (ne. pail); < pgm. *pagila- ‘merkteken’. Wrsch. een afleiding met verkleiningsachtervoegsel *-ila- van de wortel *pag-. Hierbij hoort ook de afleiding pgm. *pagjō-, waaruit: mnl. pegge, peg ‘blok, tussenklamp’ zoals in en holten peg [1477; Teuth.] (nnl. peg en door ontlening ne. peg ‘pin’).
Verdere herkomst onduidelijk. Mogelijk behorend bij: Latijn baculum ‘staf, stok’; Grieks báktron ‘stok’; Litouws bàksteleti ‘stoten, duwen’. Indo-Europese herkomst van deze woorden (< pie. *bak- (IEW 93)?) is twijfelachtig. Kuhn (1961) verklaart de Germaanse woorden uit een substraattaal met een onverschoven p- en vergelijkt dan Latijn palus ‘paal’, zie → paal.
De oorspr. betekenis is ‘merkteken’, dat men, gezien de verwantschap met peg ‘pin, spie’, zal hebben aangegeven met een pin of staafje. Hieruit ontstond bij overdracht de betekenis ‘vloeistofniveau’, meer in het bijzonder ‘vastgesteld vloeistofniveau’ en bij uitbreiding ‘vastgestelde maat, richtlijn’. Zie ook → pegel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peil* [watermerk, niveau] {peil(e) [knopje in maten voor drinkwaren, hoogtemerk voor waterstanden, ladingmerk van vaartuigen] 1476-1500} naast pegel1 met de normale overgang van ege > ei, zoals ook in dwegel > dweil, van middelnederlands pegge [houten pen, tap, stop], middelnederduits pegel; mogelijk verwant zijn latijn baculum [stok], grieks baktron [idem], oudiers bacc [kromstaf]. De uitdrukking er is geen peil op te trekken [geen staat op te maken] wil in de scheepvaart zeggen, dat een peiling op twee vaste voorwerpen, waaruit men via het kompas zijn positie bij benadering kan kennen, uitgesloten is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pegel, peil znww., mnl. pēghel, peil m. (peile v.) “knopje als merkteeken in maten voor vloeistoffen (nnl. pegel), merkteeken voor den waterstand (nnl. peil), merkteeken hoe diep een schip geladen mag worden, graad van sterkte van bier (nnl. peil).” De mnl. vorm met ei is holl.; hij wordt ook door Kil. zoo genoemd. Grondvorm *paʒila-. Buiten het Ndl. nog mnd. pēgel m. “pegel, peil, een maat”, nnd. pēgel “paal”, ags. pægel “koelvat” (eng. pail). Hiernaast *paʒjô(n)- in Teuth. peg(ge), ndl. dial. en eng. peg “houten pin”. Wsch. zijn lat. baculum, gr. báktron “stok, staf” verwant: de basis bak̑-( of q?) kan “recht zijn” beteekend hebben. Ook ier. bacc “haak, kromme stok” heeft men gecombineerd; dan zou de basis-bet. een andere moeten zijn, bijv. “stevig zijn”: zie echter achterbaks.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peil o., door iotaseering der g uit pegel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1peil s.nw.
1. Merkteken vir die hoogte van 'n vloeistof. 2. Kwaliteit, maatstaf, standaard.
Uit Ndl. peil (al Mnl. in bet. 1, 1655 in bet. 2). Mnl. peil is 'n wisselvorm van pegel, met lg. van pegge 'houtpen'. Oorspr. is 'n pen as merkteken ingeslaan om aan te toon hoe hoog 'n vat gevul moet word, waaruit bet. 1 ontwikkel het. Pegel is nog in gewestelike Ndl. bekend, terwyl peil die alg. vorm is.
D. Pegel, Eng. pail, peg.
Vgl. 2peil.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Peil: Normaal Surinaams Peil (het), vergelijkingsvlak gelegen op 8 m boven Surinaams Peil* (2). - Zie ook: Spoorbaanpeil*.
— : Surinaams Peil (het), (verouderend) 1. (vroeger) vergelijkingsvlak overeenkomend met de allerhoogste bekende stand van de Surinamerivier bij de voormalige sluis Knuffelsgracht te Paramaribo. - 2. (later) vergelijkingsvlak dat 10 m beneden het Spoorbaanpeil* ligt. Het tegenwoordig Surinaams Peil ligt dus in werkelijkheid 10 meter beneden de allerhoogst bekende stand van de Surinamerivier bij de voormalige sluis Knuffelsgracht (Paramaribo) (Dahlberg 47). - Syn. van 1 Spoorbaanpeil*. Zie ook: Normaal Surinaams Peil*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peil: s.nw. en ww., hoogtemerk; hoogtepunt; gehalte, standaard; Ndl. peil (Mnl. peil(e), 17e-eeuse Ndl. ook peyl naas pēghel), “maatteken; waterstandsteken; hoogte-/diepteteken”, wu. Hd. (18e eeu) pegel, “waterstandsteken”. herk. onseker; afl. hiervan is ww. Ndl. peilen (Mnl. pēgelen), “diepte/hoogte/gehalte meet”, ook in Hd. (1657) as peilen/peyelen, mntl. verb. m. Eng. pail.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pegel (of peil), verkleinw. van peg = knop, pin; dus pegel is het knopje of pinnetje op een maatstok of in een vochtmaat: „Ik zal je zes oude Amsterdamsche tonnen gouds tot aan de pegel volmeten”. Ook samengetrokken tot Peil, evenals dwegel tot dweil; megid tot meid, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peil, † pegel ‘merk of teken ter aanduiding van de waterhoogte’ -> Fries peil ‘merk of teken ter aanduiding van de waterhoogte’; Duits Pegel ‘merk of teken ter aanduiding van de waterhoogte’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens pægl ‘oude Deense meeteenheid die in 1907 werd afgeschaft’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors peil ‘bepaalde maateenheid’; Zweeds pegel ‘instrument voor het meten van waterstand’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests peil ‘watermerk’; Indonesisch peil ‘niveau; helling (van een gebouw)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peil* watermerk 1476-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1792. Peil trekken op iemand of iets,

d.i. staat maken op, gewoonlijk met de ontkenning op iemand (of iets) geen peil kunnen trekken, op iemand of iets geen staat kunnen maken, geen gissing kunnen maken; 17de eeuw: er niet op kunnen glozen.

De zegswijze is ontleend aan het zeewezen, waar men onder peilen verstaat het door middel van een peiltoestel, dat op het kompas in het horizontale vlak beweegbaar is, bepalen van de plaats, waar men zich op zee bevindt. Voor die peiling richt men zich op een vast punt, eene plaats, die met zekerheid bekend is (bijv. een vuurtoren), het peil genoemd. Men noemt dit in de peiling nemen (vgl. B.B. 10: Iederen keer als hij naar het kompas keek en het vuur van Hilligermond in de peiling nam). Iets peilen, iets in de peiling nemen, peil trekken op iets beteekent zijn bestek maken; zijne raming, gissing, berekening maken op iets; zoo kan men een vuurtoren peilen, den hoek bepalen; de kust peilen, waarnemen en bepalen hoever zij van een schip is verwijderd en in welke richting zij ligt; vandaar overdrachtelijk: geen peil kunnen trekken op iemand, geen berekening kunnen maken op iemand, niet op iemand af kunnen gaan, niet op iemand kunnen vertrouwen, geen staat kunnen maken op iemand. In dezen zin komt de uitdr. in de 18de eeuw voor in het Boere-krakeel, 136: Daer op is nog gien peil te trekken; zie ook Harreb. II, 182 a; Nest, 29; Nederland, 1914, II, 8; Ndl. Wdb. XII, 930; Molema, 316: d'r is gijn pail op te trekken; Villiers, 97.

1793. In de peiling (of in peil) hebben (of krijgen),

d.w.z. in de gaten hebben of krijgen, zien, bemerken, bevroeden. Vooral bij W. Buning; vgl. B.B. 01: Ik had het wel in de peiling, als dat hij van binnen kapot was; Menschen zooals er meer zijn, bl. 110: En als die rooie kajuitsjongen van me, als die achteruit moest naar de kajuit, en Stuur kreeg het in de peiling, dan riep hij hem eerst bij zich; bl. 134: Dat was eerst een heele beweging en drukte, om iedereen op zijn plaats te krijgen, want dat had ik wel in de peiling, ieder had zijn eigen plaats; bl. 139: Ze kregen de koningin in de peiling. Voor de verklaring zie no. 1792 en vgl. Ndl. Wdb. XII, 953.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut