Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pegel - (ijskegel; gulden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pegel zn. ‘ijskegel, stalactiet van ijs’
Nnl. pegel ‘ijskegel’ [1805; iWNT].
Hetzelfde woord als → peil, mnl. peghel, peyl ‘merkteken, vloeistofniveau’. Beide vormen hebben lange tijd naast elkaar bestaan. Pas in de 19e eeuw kreeg pegel de betekenis ‘ijskegel’ en raakte de oude betekenis verouderd, zodat peil en pegel twee verschillende woorden werden. De betekenis ‘ijskegel’ ontstond wrsch. door invloed van twee woorden. Het eerste woord is → kegel, dat tot in de 19e eeuw ook ‘ijspegel’ kon betekenen, maar die betekenis verloor toen pegel die had gekregen. Het tweede is (ijs)pil, -pill, -pingel ‘ijspegel’, een woord uit Oost-Nederlandse en Nederduitse dialecten dat wrsch. verwant is met pingel ‘klein ding, iets kleins’, pinkel ‘dun puntig houtje, houten tapje’ en dan wrsch. ook met → pink. Volgens WNT heeft pegel in West-Vlaanderen steeds de oorspr. betekenis ‘puntig voorwerp’ behouden, maar in naslagwerken over het West-Vlaams is die niet te vinden.
Het woord kegel in de betekenis ‘ijspegel’ is wrsch. oorspr. niet hetzelfde woord als kegel ‘kei, wig, conus’; het verschijnt in het Middelnederlands als kekele [14e eeuw; MNW kekel], keeckel [1477; Teuth.] en ook Kiliaan [1599] geeft kekel ‘ijspegel’, met als variant keghel (met de aantekening “Vlaams”). In het Oudhoogduits verschijnt dit woord als kichilla; het gaat vermoedelijk terug op pgm. *kakila-, dat staat naast pgm. *jekila-, *jekula- in de Scandinavische talen, waaruit IJslands jökull ‘gletsjer’; over de verdere herkomst is niets bekend.
Lit.: E. Rooth (1961), Zu den Bezeichnungen für den ‘Eiszapfen’ in den germanischen Sprachen, Stockholm

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pegel1* [staaf] {1369} hetzelfde woord als peil.

pegel2* [gulden] {1901-1925} is hetzelfde woord als pegel1 [peil, maat, merkteken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pegel, peil, znw., mnl. pēghel, peil m, peile v. ‘knopje als merkteken in maten voor vloeistoffen; merkteken van de waterstand; merkteken voor de diepte van een scheepslading’, mnd. pēgel ‘pegel, peil, maat’, nnd. pēgel ‘paal’, oe. pægel ‘koelvat’ (ne. pail) > grondvorm *pagila-. Daarnaast staat de vorm *pagjo- in pegge ‘blok, tussenklamp’, van klompenmakerij (dial. Enter), Teuth. pegge, peg, nnl. dial. ne. peg ‘houten pin’ (misschien < mnl. pegge; het treedt eerst sedert 1440 op, vgl. Bense 271). — Mogelijk te verbinden met lat. baculum ‘staf, stok’, gr. báktron ‘stok’, lit. bàksteleti ‘stoten, duwen’ (oiers bacc ‘haak, kromstaf’ gaat echter op lat. baculum terug) (IEW93). — > nhd. pegel ‘waterstandteken’ eerst in de 18de eeuw (Kluge, Seemannssprache 610).

Het grondwoord peg, vgl. ook noordfri. me. pegge wil H. Kuhn ZfdMa 28, 1961, 4 uit een onbekende idg. substraattaal afleiden en dan met onverschoven labiaal verbinden met gr. pássalos ‘pin’ en lat. palus ‘paal’. Gewaagde verklaring. — De samenstelling ijspegel staat naast ijskegel, vgl. mnl. kēkele, kēkel, maar ook ijsdacke vgl. nnd. īstakken en verwante woorden in de nnd. dialecten; zie de uitvoerige behandeling in E. Rooth, Zu den bezeichnungen für ‘Eiszapfen’ in den germanischen Sprachen, Stockholm 1961.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pegel, peil znww., mnl. pēghel, peil m. (peile v.) “knopje als merkteeken in maten voor vloeistoffen (nnl. pegel), merkteeken voor den waterstand (nnl. peil), merkteeken hoe diep een schip geladen mag worden, graad van sterkte van bier (nnl. peil).” De mnl. vorm met ei is holl.; hij wordt ook door Kil. zoo genoemd. Grondvorm *paʒila-. Buiten het Ndl. nog mnd. pēgel m. “pegel, peil, een maat”, nnd. pēgel “paal”, ags. pægel “koelvat” (eng. pail). Hiernaast *paʒjô(n)- in Teuth. peg(ge), ndl. dial. en eng. peg “houten pin”. Wsch. zijn lat. baculum, gr. báktron “stok, staf” verwant: de basis bak̑-( of q?) kan “recht zijn” beteekend hebben. Ook ier. bacc “haak, kromme stok” heeft men gecombineerd; dan zou de basis-bet. een andere moeten zijn, bijv. “stevig zijn”: zie echter achterbaks.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pegel, peil. Waarschijnlijk is met een vanouds germ. woord, dat o.a. op grond van Teuth. peg(ge), eng. peg. enz. aan te nemen is, een aan mlat. pagella ‘maat voor vloeistoffen’ ontleend woord dooreengelopen. — Uit het Ndd. hd. pegel m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pegel m., Mnl. peghel = knopje, pinnetje als merkteeken + Ndd. pegel: dimin. van peg. Hieruit Mlat. pagella en Hgd. pegel. Niet verwant is Eng. piggin, wel pail = emmer.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pegel (of peil), verkleinw. van peg = knop, pin; dus pegel is het knopje of pinnetje op een maatstok of in een vochtmaat: „Ik zal je zes oude Amsterdamsche tonnen gouds tot aan de pegel volmeten”. Ook samengetrokken tot Peil, evenals dwegel tot dweil; megid tot meid, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pegel* gulden 1906 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut