Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pedagoog - (opvoedkundige)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pedagogie zn. ‘opvoedkunde’
Nnl. pedagogie ‘opvoedkunde’ [1805; Meijer], ook pedagogiek, paedagogiek ‘opvoedkunde, leer en systeem der opvoedkunde’ [1847; Kramers], in de boektitel Wat is het onderscheid tussen paedagogie en paedagogiek, en welke van beide is de wetenschap van de onderwijzer [1860; Picarta], toepassing ... in de pedagogie, vooral bij kinderen bij wie ... [1890; Groene Amsterdammer], naar de rijkskweekschool te Leeuwarden als leraar pedagogiek [1968; WNT Aanv. werkterrein].
Ontleend aan Frans pédagogie ‘opvoeding, opvoedkunde’ [1495; TLF], ontleend aan Grieks paidagōgíā ‘opvoeding’, een afleiding van paidagōgós ‘opvoeder, leraar’, eerder al ‘slaaf die toezicht houdt op de kinderen en ze naar school brengt’, gevormd uit paĩs (genitief paidós) ‘kind’ en agōgós ‘gids, brenger, leider’, een afleiding van het ww. ágein ‘leiden’, zie → ageren. De afleiding of variant pedagogiek ‘leer der opvoeding’ is ontleend aan of beïnvloed door Duits Pädagogik ‘pedagogie, opvoedkunde’ [18e eeuw; Kluge], een afleiding in het Duits van Pädagoge ‘pedagoog’, dat teruggaat op hetzelfde Griekse zn. paidagōgós. Zie onder voor het al eerder ontleende zn. pedagoog.
Grieks paĩs ‘kind’ is verwant met: Oudengels feāwe ‘gering, weinig’ (Nieuwengels few), Gotisch fawai ‘weinigen’, on. fár ‘weinig, gering’ (nzw. ‘weinig(en)’); Latijn puer ‘kind’, pau-per ‘armzalig’, paucus ‘weinig’, Oskisch puklum ‘zoon’; Sanskrit putrá- ‘id.’; Avestisch puthra ‘id.’; < pie. *peh2-u-, *ph2u- ‘klein, gering; jong dier’ (IEW 842), waarbij ook → veulen.
pedagoog zn. ‘opvoedkundige’. Vnnl. pedagoge ‘huisleraar, onderwijzer’ [1553; Van den Werve]; nnl. pedagoog, paedagoog ‘leraar, opvoedkundige’ in als een bekwaam pedagoog wist P. van geven en nemen [1885; Groene Amsterdammer], de bekende paedagoog dr. G. [1904; Groene Amsterdammer]. Ontleend aan Frans pedagogue ‘opvoeder’ [1370-72; TLF], ontleend aan Latijn paedagōgus ‘opvoeder; slaaf die toezicht houdt op de kinderen en ze naar school brengt’, dat zelf ontleend is aan Grieks paidagōgós ‘id.’, zie hierboven. ♦ agogie zn. ‘vormingswerk’. Nnl. agogie ‘opvoedings-, vormingswerk’ [1962; WNT Aanv.], ‘praktijkgebied binnen de opvoedkunde’ [1977; Holzhauer & Van Minden]. Gevormd op basis van het tweede lid in pedagogie, dus zonder het element ‘kind’, als generaliserend begrip dat ook van toepassing is op volwassenen. Als afleiding, mogelijk onder invloed van Duits Agogik ‘leer der agogie’, verschijnt agogiek ‘leer en systeem van de agogie’ [1975; Reinsma]. ♦ agoog, goog zn. ‘beoefenaar van opvoedings- of vormingswerk’. Nnl. agoog ‘iemand die de agogie beoefent’ [1975; Reinsma]. Agoog is een afleiding van agogie. Ironiserend wordt vaak de verkorting goog gebruikt, zoals in de taal die veel ‘gogen’ en politici gebruiken [1982; Reinsma 1984]; hierbij ontstaan samenstellingen als gogentaal, gogenbaard [1986; Koenen]. ♦ andragogie zn. ‘opvoedingsleer voor volwassenen’. Nnl. andragogie ‘opvoeding of vorming van volwassenen’ [1970; Van Dale], met als afleiding en variant andragogiek ‘opvoedkundig systeem gericht op volwassenen’ [1975; Reinsma]. Gevormd naar het voorbeeld van pedagogiek en agogiek bij Grieks anḗr (genitief andrós) ‘man’.
Lit.: F. Holzhauer & J. van Minden (1977), Handwoordenboek der psychologie, Deventer

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pedagoog [opvoedkundige] {ca. 1560} < frans pédagogue [idem] < latijn paedagogus [slaaf die toezicht houdt op jongens en hen naar school brengt] < grieks paidagōgos [slaaf die kinderen naar school begeleidt, vervolgens leidsman, leraar], van pais (2e nv. paidos) [kind] + agōgos [brenger, gids], van agein [voeren].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pedagoog (Grieks paidagōgos of Frans pédagogue)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Paedagoog. (Gr. pais: kind, 2en n.v. paidos; agein: leiden). Bij de Grieken had men slaven, aan wie men het opzicht over de jongens toevertrouwde. Deze slaven moesten de knapen naar het gymnasium (z. d. w.) brengen en er vandaan halen en hen tot op zekeren leeftijd overal vergezellen. Deze slaven nu heetten paedagogen. Onder hen had men vele ontwikkelde lieden, die inderdaad in plaats van oppassers leermeesters, opvoeders der jeugd waren. Zoo kreeg het woord paedagoog zijn tegenwoordige beteekenis van opvoedkundige.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pedagoog ‘opvoedkundige’ -> Indonesisch pédagog ‘opvoedkundige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pedagoog opvoedkundige 1560 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut