Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pauze - (onderbreking, rust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pauze zn. ‘onderbreking, rust’
Mnl. pause ‘poos’ [1482; MNHWS]; vnnl. pause, poose ‘onderbreking, rust’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn pausa, dat ontleend is aan Grieks paũsis ‘rust’, bij het werkwoord paúein ‘(be)eindigen’, verdere herkomst onbekend. Zie ook → poos.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pauze [rustpoos] {pause 1482, pause [rustpoos] 1573} < frans pause [idem] < latijn pausa [het stoppen] < grieks pausis [idem], van pauein [doen stilhouden], pauesthai [stilhouden, ophouden].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poos znw., mnl. pôse v. Evenals mnd. pôse v. “tusschenpoos, rusttijd, poos”, eng. pause “rust, verpoozing” uit ofr. pose, pause (fr. pause) < lat. pausa (gr. poúsis). Uit het Ofr. ook mhd. pûse v. “pauze, rusttijd” > nhd. pause v. Hieruit weer de. pause, zw. paus. Ndl. pauze, sedert de 16. eeuw, is veeleer een geleerde ontl. direct uit het Lat. Hierbij werd pauseren gevormd naar fr. pauser.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

poos (zn.) pauze; Middelnederlands pause <1482> < Frans pause.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pouse s.nw.
Onderbreking, verposing.
Uit Ndl. pauze (al Mnl.).
Ndl. pauze uit Fr. pause.
D. Pause, Eng. pause.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pauze (Latijn pausa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pauze, van 't Fr. pause, van 't Gr. pausis en dit van pauein = doen ophouden, rusten. Verwant is poos.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pauze ‘rustpoos’ -> Fries pauze ‘rustpoos’; Indonesisch pause ‘rustpoos’; Menadonees pose ‘ontspanning’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pauze rustpoos 1482 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut