Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pauw - (vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pauw zn. ‘siervogel (geslacht Pavo)’
Onl. als bijnaam van Albero Pau [1169; Debrabandere 2003]; mnl. pau ‘pauw’ [1240; Bern.]; vnnl. pauwe, paew [1567; Nomenclator, 70a]; nnl. pauw [1763; Houttuyn I, 5, 326].
Ontleend aan Latijn pavō ‘pauw’, dat zelf ontleend is aan een onbekende oosterse taal. Oorspronkelijk zal het woord een klanknabootsing zijn geweest, naar de roep van de vogel.
Evenzo ontleend zijn: os. pāo; ohd. pfāwo, pfāō (nhd. Pfau); nfri. pau; oe. pēa, pāwa (me. , ne. met een verduidelijkend tweede lid peacock, peafowl, peahen); on. pái, páfugl (nzw. påfågel).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pauw1 [vogel] {pau, pawe, pauwe 1201-1250} < latijn pavo, dat wel aan een oosterse taal is ontleend (vgl. pavane).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pauw znw. m., mnl. paeu, pau, in de 16de eeuw een jongere vorm pauwe; evenals mnd. pāwe, pauwe, ohd. pfāwo (nhd. pfau), oe. pāwa (waaruit on. pāi) is een reeds voor de hoogd. klankverschuiving geschiede ontlening < lat. pāvo.

Frans paon gaat op de 4de nv. vulg. lat. păvōnem terug; uit dezelfde vorm wil men ook oe. pēa (ne. peacock) afleiden en wel over de acc. pēan < *pā(w)un.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pauw znw., mnl. paeu, pau m. Pauwe v. (16. eeuw) is een jongere vorm. Evenals ohd. pfâwo (nhd. pfau), mnd. pâwe, pauwe, ags. pâwa m., on. pâi (uit ’t Ags.?) m. “pauw” een oude ontl. (vóór de hd. klankverschuiving) uit den lat. nomin. pâvo “id.” (vgl. leeuw). Ags. pêa m. “id.” (eng. pea-cock) wordt wel verklaard als gevormd bij den accus. pêan > *pa(w)un > vulgairlat. *păvônem. Op den lat. accus. gaat ook fr. paon “pauw” terug. Opvallend is de mnl. sterke flexie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pauw m., Mnl. pau, gelijk Hgd. pfau, uit Lat. pavo, van Gr. taṓs, van Perz. tāwus, van Tamoel togei (z. palm 2). Fr. paon, Eng. pea(cock) gaan op acc. pavonem terug.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Pauw Pavo cristatus Linnaeus 1758. Reeds lang in onze contreien bekende, uit India ingevoerde Fazantachtige. De vogel wordt beschouwd als trots of pronkziek. Dit vooral wegens het vertoon van de prachtige staart (zijnde de bovenstaartdekveren). De naam is mogelijk oorspr. een onomatopee, naar de langgerekte luide roep (“paaauw”).
ETYMOLOGIE N Pauw <Paauw [Houttuyn 1763] <Pauwe [VK c.1618] Pawe, pauwe, paeu, pau (JvM; Bern. c.1240) pau (in de toenaam Albero Pau (1169) [Schoonheim]; fries Pau; mnd pâwe; D Pfau pfâ, pfâwe pfâo, pfâwo; E Peacock Pecoc (1086 als persoonsnaam) *pea; [ook oudengels *pawa >E (persoonsnaam) Pocock]; F/mf Paon (1220) poun (1125) pavonem (4e nv.); pavo ?taṓs, ook: taṓn ‘Pauw’ ?De dans- en muziekvorm pavane (1569) (o.a. door Ravel) is volgens vDE 1993 afgeleid van It Pavone ‘Pauw, ijdel iemand’; volgens Robert 1993 daarentegen van de italiaanse stad Padova (= Padua), die in de Po-vlakte ligt.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pauw (Latijn pavo)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pauw, van ’t Lat. pavo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pou s.nw.
1. Groot voël met sierlike stertvere. 2. Persoon wat lief is om te pronk.
Uit Ndl. pauw (al Mnl.).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1798), ook in die samestelling wildepou (1801), en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die samestellings gompou (1867) en vlaktepou (1936).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pou: voëls.; Ndl. pauw (Mnl. pa(e)uw), Hd. pfau, vroeë ontln. aan Lat. pāvo – gemeen word dat Fr. paon en Eng. pea(cock) uit verboë vorme hiervan ontw. het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pauw ‘hoendervogel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels pou(w) ‘trapvogel’ ; Munsee-Delaware pá:w ‘hoendervogel’; Negerhollands powwis ‘hoendervogel’; Papiaments pòwis ‘hoendervogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pauw hoendervogel 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut