Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paus - (hoofd van de r.-k. kerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paus zn. ‘hoofd van de rooms-katholieke kerk’
Mnl. paus [1240; Bern.], uan den paus innocentiuse ‘van paus Innocentius’ [1265-70; CG II], als de pauwes dit had gheseit ‘toen de paus dit had gezegd’ [1276-1300; CG II], van den paues alexander ‘van paus Alexander’ [1287; CG II].
Wrsch. ontleend aan een Romaanse nevenvorm *pābes ‘paus’, teruggaand op een vergriekste Latijnse vorm *papes (Kluge, OED), uit christelijk Latijn papa ‘paus, bisschop van Rome’, eerder ‘bisschop’ [567; Niermeyer], ontleend aan Middelgrieks papâs, nevenvorm van klassiek Grieks pápas, eerder páppas ‘vader’ (kinderwoord), zie ook → papa.
Uit rijm en ritme blijkt dat het woord in het mnl. nog meestal tweelettergrepig is, zoals in de vormen paues, paves en pauwes, en zelfs als het gespeld werd als paus (MNW). De later weggevallen intervocalische -v- is wellicht ontstaan doordat de Romaanse intervocalische -b- in verschillende Romaanse dialecten als bilabiale fricatief /ƀ/ klonk, wat in het Nederlands als v of als w werd geïnterpreteerd. Aan het eind van de Middelnederlandse periode verzwakten alle onbeklemtoonde lettergrepen en werd pawes tot paus.
Uit de algemene christelijk-Latijnse betekenis ‘bisschop’ ontstond vanaf het einde van de 5e eeuw de specifieke betekenis ‘bisschop van Rome, plaatsvervanger van Petrus’. In 1073 legde paus Gregorius VII deze betekenis van het woord papa exclusief vast.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paus1 [hoofd van de r.-k. kerk] {1201-1250, pawes 1285} oudsaksisch paƀos, oudhoogduits babes, oudfries pawis, pave < latijn papa [bisschop, paus] (geleend via een gereconstrueerde romaanse vorm ∗pabes) < byzantijns-grieks pap(p)as (vgl. pope).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paus znw. m., mnl. pâus, paewes, pâves, paefs, os. pāƀos, ohd. bābes (nhd. papst), ofri. pāwis, pāwes, pāus. Uitgangspunt is lat. pāpa, dat sedert het eind der 5de eeuw de titel van de bisschop van Rome geworden was (hetgeen in 1075 door Gregorius VII bevestigd werd als de uitsluitende titel voor deze bisschop). De vorm van het woord biedt moeilijkheden 1. wegens de klank b of w in het midden van het woord en 2. wegens de uitgang s. Men mag aannemen, dat het woord aan de Nederrijn uit het romaans werd overgenomen en zich vandaar uitbreidde tot het in de 10de eeuw ook Zuid-Duitsland bereikte. De vorm met s vindt zijn verklaring in ofra. papes naast pape (evenals vormen als poetes, hermites); wat de b aangaat kan men denken aan een romaanse bijvorm *pāƀes, die echter niet overgeleverd is, of anders aan het verschil in uitspraak van romaanse en germ. explosieven, zodat intervocalisch de p zeer zwak kon klinken voor germ. oren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paus znw., mnl. pâus (tweesilbig), paewes, pâves, paefs m. = ohd. (Notker) bâbes (mhd. bâbes(t), nhd. papst), os. pâƀos, ofri. pâwis, pâwes, pâus m. “paus”. Uit het Os. of Mnd. is on. pâfi m. “id.” ontleend: de s van os. pâƀos, mnd. pâwes werd volgens sommigen afgeworpen, omdat men er een lat. nominatief-uitgang in zag. Of zou er soms een andere os. vorm zonder -s bestaan hebben? De germ. vormen met b, ƀ, w zijn niet anders te verklaren dan uit een rom. vorm, die luidde *pâƀes of iets dgl. en die met klankwettige rom. verandering van de p en vervorming van den uitgang op lat. pâpa (zie paap) moet teruggaan, waaruit ook fr. pape “paus” is ontstaan. Mlat. pâpa, aanvankelijk de naam, waarmede bisschoppen eershalve werden aangesproken, werd allengs in de Latijnsche kerktaal speciaal de titel van den paus van Rome. In 1075 stelde Gregorius VII vast, dat papa uitsluitend voor den pontifex van Rome gebezigd zou worden. Aan ontl. van paus uit gr. pápas (zie paap) mag niet worden gedacht èn wegens den vorm èn wegens den tijd van ontl. èn aangezien het woord het eerst in Nederduitschland is ontleend (os. pâƀos, ± 900). Vgl. priester.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paus m., Mnl. paus, paves, Os. pâbos, gelijk Ohd. bâbes (Mhd. bâbes, bâbes-t, Nhd. pabs-t), uit Rom. pavas, met nominatief-s van Mlat. papa (Fr. pape), anredeform voor iederen bisschop, later alleen voor den paus, van Lat. pap = vader (z. papa en vergel. pater).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paus (zn.) paus; Vreugmiddelnederlands paus <1240> < Latien papa.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pous: hoof v. d. R.K. Kerk; Ndl. paus (Mnl. paus/paewes/paves/paefs), Hd. papst, Eng. pope, Fr. pape (Ofr. papes/pape), gaan terug op Lat. papa, Lgr. papas/pappas, “vader”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paus (Romaans *pabes)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paus is een vernederlandsching van ’t Lat. papa, oorspr. de vereerende aanspraakvorm voor bisschoppen. Gregorius VII besloot in 1075, dat alleen de opperpriester van Rome met papa mocht worden toegesproken. Zie Paap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paus ‘hoofd van de rooms-katholieke kerk’ -> Fries paus ‘hoofd van de rooms-katholieke kerk’;? Duits dialect Paus ‘hoofd van de rooms-katholieke kerk’; Javaans Paus ‘hoofd van de rooms-katholieke kerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paus hoofd van de r.-k. kerk 1240 [Bern.] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

-paus, tweede deel in samenstellingen als kunstpaus, cultuurpaus: autoriteit op een bepaald gebied; iemand met erg veel kennis in een bepaald vakgebied. Informeel. → tussenpaus*.

Welke ambtenaar of gezonde kunstpaus kan twee reebruine ogen en een diep decolleté zijn hulp weigeren? (Jan Cremer: Logboek, 1978)
William Gibson als techno-paus voor een nieuwe computer-generatie. (Oor, 14/07/90)
In die commissie ontpopte Brummelkamp zich als wat zijn collega’s een ‘kunstpaus’ noemden. (Vrij Nederland, 22/09/90)
DE SEXAHOLICS ANONYMUS, die ik verleden week aan de schandpaal nagelde, komen ook weer voor in een interview met de ‘computerpaus’ Marvin Minsky in HP/De Tijd van 8 maart. (Het Parool, 16/03/91)
Maar in elk geval is ze daar dan toch een spijkerharde kunstpaus. Voor haar is kunst op zijn minst heel moeilijk en moet toneel toch in het Latijn geschreven en nog experimenteler dan experimenteel zijn. (Nieuwe Revu, 29/01/97)
Een kunstpaus met menselijke vonken, het komt ook een beetje door het embonpoint van Rudi Fuchs. (Elsevier, 19/04/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1787. Hoe dichter bij den Paus (of bij Rome), hoe slechter christen.

Deze zegswijze komt sedert de latere middeleeuwen voor, blijkens Prov. Comm. 798: Zo nader den paeus so quader kersten, vita peiores sunt qui pape propiores. Zie verder Bebel, 65: quo Romae propiores, tanto Christiani tepidiores; De Brune, 361: Te naerder Roomen datmen is, te minder houdt men van de mis; Tuinman I, 30: hoe nader Romen, hoe slimmer Christen; Harrebomée III, 149 a; II, LIV: hoe digter bij Rome, hoe minder Paapsch; Wander II, 1341; III, 1178: je näher dem Papst, je schlimmere Christen. Syn. is: hoe nader bij de kerk, hoe verder van God (Halma, 260); nabij de kerk, ver van God (Sewel, 384); vgl. hd. je näher der Kirche, je weiter von Gott (oder je später hinein); je näher Rom je schlimmer Christ: fr. près de l'église et loin de Dieu: eng. the nearer the church, the farther from God; zie Joos, 211: onder den toren wonen de meeste Geuzen; hoe nader Rome, hoe slechter Christenen; hoe nader de kerk, hoe meerder Geuzen; De Bo, 511; Antw. Idiot. 1043; Tuerlinckx, 530; Waasch Idiot. 255 a; Eckart, 436 en vgl. in Twente: dee oender d' toorn woont, bint de besten nig; in Limb.: hoe korter bij Rome, hoe slechter katholiek ('t Daghet XII, 126).

1951. Hij is te Rome geweest en heeft den Paus niet gezien.

‘Dat past men toe op ymand, die ergens geweest is, zonder het merkwaardigste te beschouwen’ (Tuinman I, 30). Zie Servilius, 23*: wat maket men te Romen, als men den paus niet en siet; Campen, 81: wat soldick te Romen doen als ick den Paeuws niet en saghe; De Brune, 210: Wat nut van Roomen, of gheniet, wanneer men daer de Paep niet ziet? De zegswijze komt in hare tegenwoordige gedaante het eerst voor bij Tuinman. Zie Wander III, 1719: In Rome gewesen sein, ohne den Papst gesehen zu haben; it. essere stato a Roma senza aver veduto il Papa; Huygens I, 299, vs. 165-169; Joos, 76. Ook in het oostfri.: hê is in Rôm west un hed de paus nêt sên; Jahrb. 38, 161: he is na Roum wiäsen un häwt den Pabst nig eseen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut