Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pastoor - (geestelijke aan het hoofd van een katholieke parochie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pastoor zn. ‘geestelijke aan het hoofd van een katholieke parochie’
Mnl. pastoer ‘geestelijke in de katholieke kerk’ [1400-50; MNW-P], pastoor ‘id.’ [1434-36; MNW-P].
Ontleend aan christelijk Latijn pastor (genitief pastōris) ‘geestelijk herder’, een betekenisuitbreiding van klassiek Latijn pāstor ‘herder’, nomen agentis bij pāscere ‘vee hoeden, voeren’, verwant met → voeden.
In het Nederlands komt ook de vorm pastor voor, met de klemtoon van de Latijnse nominatief (en vandaar ook paster in Vlaamse dialecten); in het algemeen is de pastor een geestelijke die belast is met de zielzorg van een bepaalde groep, bijv. de studentenpastor of ziekenhuispastor.
Het beeld van de geestelijke als herder zal beïnvloed zijn door het beeld van Jezus als ‘de goede herder’ die zijn leven inzet voor zijn schapen, in Johannes 10, vers 11 en 14.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pastoor [hoofd van parochie] {pasto(o)r 1475} < latijn pastor [herder], van het ww. pascere (verl. deelw. pastum) [weiden, opfokken, voeden] (vgl. pleisteren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pastoor znw. m., mnl. pastoor evenals mnd. pastōr, pastor ‘pastoor’, mhd. pastor ‘pastoor’ (nhd. pastor ‘predikant’) is het kerkwoord pastor ‘geestelijke’, eig. lat. pastor ‘herder’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pastoor znw., mnl. pastoor m. Evenals nhd. pastor m. “dominee”, vroeger (reeds later-mhd.) “pastoor”, mnd. pastôr, pastor m. “pastoor” uit lat. pâstor, -ôris, oorspr. “herder”. De mnl. vorm pasteur m. kan, maar behoeft niet op invloed van fr. pasteur “herder, geestelijk herder” te berusten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pastoor. Daarnaast schijnt pástor, dat in Noord-Nederland wsch. een jonge, geleerde ontlening is, in het Z. sedert lang (reeds mnl.?) inheems te zijn geweest. Hiervan is vla. paster(e) de voortzetting.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pastoor m., uit Lat. pastorem (-or) = herder, afgel. van 't v.d. van pascere = voeden (z. voeden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pestoer (zn.) pastoor; Aajdnederlands pastoer <1400-1450> < Latien pastor.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pastoor s.nw.
1. Rooms-Katolieke geestelike. 2. Leraar van Protestantse kerke buite die drie Afr. kerke.
Uit Ndl. pastoor (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pastoor: R.K. priester; geestelike herder v. gesindtes (buite d. drie Afr. kerke); Ndl. pastoor (Mnl. pastoor), Hd. pastor, “predikant” (v. egter ook pastor), uit Lat. pástor (gen. pastóris), “herder”; vlgs. WNT v. d. verboë vorm, met aksentverspringing, soos Afr. vorme professoor, senatoor, ens., na anal. v. d. mv.

pastor: geestelike herder v. Duitse (bv. Lutherse) kerke, soms ook in Lat. verbg. soos pastor loci; Ndl. pastor, v. verder pastoor.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Pastoor, pastor, zielzorgend priester, geestelijk hoofd van een rooms-katholieke, ook wel protestantse kerkelijke gemeente; zielenherder.

De woorden pastor en pastoor zijn afgeleid uit Latijn pastor, dat 'herder' betekent (zie ook Herder). Hierin wordt de geestelijke zorg die de pasto(o)r voor zijn 'kudde', de gelovigen uit zijn gemeente, beeldend uitgedrukt. Het beeld van de voor zijn schapen zorgende herder is door de gehele bijbel door te vinden, zie bijvoorbeeld Ezechiël 34:12, 'Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken' (NBV). En in het Nieuwe Testament: 'Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder' (Matteüs 9:36, NBV).

'Weet ge wat,' zei pastoor Pander, 'nou ik toch hier ben, zal ik wel voorbidden, als ik dat mag.' (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 169)
Paul van Geest, 35 jaar, Nederlands gestudeerd in Leiden, daarna theologie in Rome en in Utrecht (KTU), rooms-katholiek. Is part-time pastor in Rotterdam-Ommoord en tevens verbonden aan de KTU voor colleges spiritualiteit. (Trouw, 30-12-1999, p. 16)
De bisschop van Den Bosch verbood nog niet zo lang geleden zijn pastoors om kinderen op openbare scholen voor te bereiden op de communie. (Trouw, 30-12-1999, p. 9)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pastoor (Latijn pastor)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pastoor, van ’t Lat. pastor = herder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pastoor ‘hoofd van parochie’ -> Indonesisch pastor, pastur ‘rooms-katholieke priester’; Javaans pastur ‘hoofd van rooms-katholieke parochie’; Keiëes pastoor ‘hoofd van parochie’; Kupang-Maleis pastor ‘hoofd van parochie’; Muna pasitoro ‘rooms-katholieke priester’; Papiaments pastor ‘hoofd van parochie’; Arowaks pastoro ‘priester’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pastoor hoofd van parochie 1475 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut