Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pasta - (brij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pasta 1 zn. ‘brij’
Mnl. alleen de vorm paste, past ‘deeg, beslag, mengsel; omhulsel van deeg, pasteitje’ in (in een gehavend handschrift) [die mi gequi]t heft menegen past ... ‘die mij op menig pasteitje heeft getrakteerd’ [1276-1300; VMNW], cruden ... stoten ende tsap uutwringen, ende dan sal men dat past te viere doen ‘kruiden fijnstampen en het sap uitpersen en dan moet men die brij op het vuur zetten’ [1351; MNW]; vnnl. paste ‘deeg, brij, baksel’ (met de aantekening ‘verouderd’) [1599; Kil.], ‘zalf, reukwerk’ in de parfumen, de pasten [1647; WNT past]; nnl. dan de vorm pasta ‘brij, mengsel’ in verw-stoffen, die tot een pasta of deeg gekneed zijn [1722; WNT reuk], de pasta of het beslag [1722; WNT zwavel I], poetsen met tandzeep en pasta [1902; Groene Amsterdammer].
Geleerde ontlening aan Laatlatijn pasta ‘brij, deeg; pastei’. De Middelnederlandse vorm paste, past is ontleend via Oudfrans paste ‘omhulsel van deeg’ [13e eeuw; TLF], eerder al ‘beslag, deeg’ [1174-78; TLF] (Nieuwfrans pâte ‘deeg’), dat ook teruggaat op Laatlatijn pasta. Het Latijnse woord is ontleend aan Grieks pastá ‘gerstepap, dikke saus’, wrsch. oorspr. ‘gezouten en/of gemengde dingen’, onzijdig meervoud van het bn. pastós ‘besprenkeld’, een afleiding van het ww. pássein ‘strooien, besprenkelen’. Zie ook → pastei en → paté.
De etymologie van Grieks pássein is onzeker, verwantschap met Latijn quatere ‘schudden’ onwrsch.

pasta 2 zn. ‘Italiaanse deegwaar’
Nnl. pasta ‘Italiaanse deegwaren’ [1984; Van Dale].
Ontleend aan Italiaans pasta ‘deegwaren, pasteideeg’ [14e eeuw; DELI], dat teruggaat op Laatlatijn pasta ‘deeg, pasteideeg’, zie → pasta 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pasta [deeg] {1722, vgl. paste [deeg] 1351} < latijn pasta [pasta, deeg] < grieks pastè [brij, pap], vr. verl. deelw. van passein [strooien, op iets strooien (d.w.z. zout strooien)] (vgl. paat); de middelnl. vorm < oudfrans paste. In deze eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog, ook gebruikt ter aanduiding van allerlei it. deegwaren < italiaans pasta.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pasta znw. m. o., late ontlening < laat-lat. pasta ‘deeg’ < gr. pástē ‘gerecht van gemengde gedroogde spijzen’ van pássein ‘bestrooien’. — Hieruit ontstond ofra. paste (nfra. pâte), waaruit mnl. paste, past v. o. m. ‘deeg, mengsel, vastgestelde broodprijs’. Daaruit komt weer nnl. pasten ‘afdruksels van gesneden stenen, munten en dgl.’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pasta znw. o. Late geleerde ontl. uit laat-lat. pasta “deeg”. Een oudere ontl. hieruit of uit ofr. paste “id.” (fr. pâte) is mnl. past(e) v. o. m. “deeg, mengsel, vastgestelde broodprijs” (nnl. pasten mv. “afdruksels, afgietsels”). Aan een mlat. *pastâta beantwoordt ofr. pastée (fr. pâté), mnl. pasteide, -êde, -eie, posteide v. (nnl. pastei), mhd. pastêde, -ête (nhd. pastete), mnd. pasteide, posteide, -ei(g)e v., eng. pasty “pastei”. Van pasta ook mlat. pastillus, fr. pastel, it. pastello. Uit een van de twee laatste nnl. pastel znw., sedert Kil., die de bet. van pastel o. “pastelstift, pastelteekening” nog niet vermeldt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pasta s.nw. (dikw. as tweede lid van samestellings, soos tandepasta)
Deegagtige mengsel.
Uit Ndl. pasta (1722).
Ndl. pasta uit Latyn pasta 'deeg'.

2pasta s.nw.
1. Deeg wat in 'n verskeidenheid van vorme voorkom en berei word deur dit in water te kook. 2. Gereg berei van gekookte pasta (2pasta 1).
Uit Eng. pasta (1673 in bet. 1, 1874 in bet. 2).
Eng. pasta uit It. pasta uit Latyn pasta 'deeg'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pasta: deegagtige preparaat; Nnl. pasta, ontln. aan Ll. pasta,`“deeg” (lg. wsk. uit Gr. pastê, “gortpap”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pasta (Italiaans pasta)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pasta ‘deeg, kneedbaar mengsel’ -> Indonesisch pasta ‘deeg, kneedbaar mengsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pasta deeg, kneedbaar mengsel 1722 [WNT reuk] <Latijn

pasta Italiaanse deegwaren 1984 [GVD] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut