Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

passen - (afmeten; in orde zijn; niet meedoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

passen ww. ‘afmeten; in orde zijn; niet meedoen’
Mnl. passen ‘zorgen voor, acht slaan op’ in up hem passen ‘zich met hem bemoeien’ [1300-25; MNW-R], ‘overgaan, overtrekken’ in die riviere sullen si passen [1330; MNW], ‘afmeten, nauwkeurig werken’ in effene ghepast met metale ‘gelijkmatig bewerkt met metaal’ [1390-1410; MNW-R], ‘ordenen’ in den scilt ... drie lelyen daer in wel ghepast ‘het schild, met drie lelies mooi over het oppervlak verdeeld’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. passen ook ‘schikkend zijn, uitkomen’ in alst past ‘als het uitkomt’ [ca. 1540; MNW], ‘het vereiste formaat hebben’ in soo dattet bycans aen die Pijpe passe ‘zodat het bijna aan de pijp zal passen’ [1552; WNT], ‘nauwkeurig afmeten’ in passen metten passer ‘afmeten met de passer’ [1573; Thes.], ‘(gepast) betalen’ in een paer ouwe nobels passen [1612; WNT], ‘op iets letten, toezicht houden’ in op hun geweer ... passen [1642; WNT], ‘aanmeten, aanpassen’ in past desen leest eens aen uwe voeten [1649; WNT]; nnl. passen ‘voegen, betamen’ in gelyk een recht dienaar Jezu Christi past [1726; WNT], ook ‘zijn beurt voorbij laten gaan’ [1762; Marin FN passer].
In de betekenis ‘afmeten’ afgeleid van → pas 1 in de betekenis ‘eenheid van maat’; betekenissen als ‘goed ordenen, schikken’, ‘in orde zijn, passend zijn’ en ‘zorgen voor, oppassen’ zijn daaruit ontwikkeld. In de betekenis ‘passeren’ afgeleid van → pas 1 of → pas 2 in de betekenis ‘doorgang, passage’ en na de 16e eeuw vervangen door → passeren. In de betekenis ‘zijn beurt voorbij laten gaan, niet meedoen’ ontleend aan Frans passer ‘id.’, zie → passeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

passen1 [afpassen] {1350} van pas1 [schrede].

passen2 [zijn beurt voorbij laten gaan] {1813} < frans passer [voorbijgaan, langs gaan], van latijn passus [schrede] (vgl. pas1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

passen ww., mnl. passen ‘afpassen, in orde brengen, schikken, acht slaan op, menen, gelegen komen; soort dobbelspel’ is een afl. van pas 1. — In de bet. ‘in het kaartspel zijn beurt overslaan’ stamt het uit fra. passer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

passage znw. Een reeds mnl. mhd. mnd. ontl. uit fr. passage, dat gevormd is van passer (dit weer van pas). Dit ww. ging in het Ndl. over als mnl. passen “afpassen, in orde brengen, schikken, inrichten, óvertrekken, acht slaan op, meenen, gelegen komen”, ook de naam van een spel met dobbelsteenen (nnl. passen) en passêren “overgaan, doorgaan, voorbijgaan” (nnl. passeeren). De bett. van mnl. passen zijn voor een deel eerst in ’t Ndl. ontstaan. Passen, passêren (mhd. nhd. ook passieren) zijn ook mhd. mnd., ook ofri. passia “passen, afmeten” komt voor. — Nnl. passen (bij het kaartspel) komt ook van fr. passer. Evenzoo hd. passen, de. passe, zw. passa.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

passen o. en ono.w., in alle bet. uit Fr. passer: z. pas 4. De bet. oppassen ontwikkelde zich uit die van niet spelen, langs die van wachten, toezien heen; de bet. passend zijn heeft men reeds in 't Fr. cela peut passer: vergel. cela peut aller en ons dat kan er door.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3pas ww.
1. Die regte maat hê. 2. By mekaar hoort, saamgaan. 3. Betaam. 4. Geskik wees vir.
Uit Ndl. passen (al Mnl.).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

passen op (paste, heeft gepast), (ook:) passen bij. () meneer Wolier, de eigenaar van het pension, een Indo, een naar woord, dacht Nettie, maar het paste zo goed op hem () (Doelwijt 1972b: 27).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pas III: ww., afmeet; geskik wees; aantrek (om bv. vas te stel of iets na fatsoen en/of grootte reg is); skik na; oplet (bv. oppas); Ndl. passen (Mnl. passen), Hd. passen, uit Fr. passer, hou verb. m. Lat. passus (v. pas I).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

passen ‘kopen’ (van Zigeunertaal paš); ‘zijn beurt voorbij laten gaan’ (Frans passer)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Passen, oorspr. ’t Fr. passer = (voorbij)gaan, in het spel zijn beurt laten voorbijgaan: ik pas; vandaar ook: ik pas (bedank) er voor. Door te passen, bleef men zitten toekijken, wachten, opletten, en zoo ontstond ook de bet.: ergens op letten, bijv.: pas er op! Uit de bet. van ’t Fr. passer = doorgaan (zie Paspoort), ontstond ook de bet. van: er mee door kunnen: dat kan er mee door (cela peut passer), dat is toegestaan, toegelaten, geschikt of kortweg: dat is gepast. Zoo kreeg passen ook de bet. van: betamen, geschikt zijn, bijv. dat komt van pas: dat is geschikt, dienstig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

passen ‘zijn beurt voorbij laten gaan’ -> Duits passen ‘zijn beurt voorbij laten gaan (bij het kaartspel)’; Indonesisch pas ‘zijn beurt voorbij laten gaan (kaartspel)’; Makassaars pâs, pâsá ‘passen (bij het kaartspel)’; Papiaments pas ‘zijn beurt voorbij laten gaan’.

passen ‘afpassen; van pas zijn; overeenstemmen, passend zijn; betamen’ -> Duits passen ‘passend, welkom, aangenaam zijn; juist overeen komen, ergens mee harmoniëren, goed zitten; opmerkzaam volgen, op iets wachten’; Deens passe ‘uitkomen, schikken, afpassen, waar zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors passe ‘afpassen, uitkomen, schikken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds passa ‘letten op, op tijd komen voor, uitkomen, schikken’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch pas ‘passend, klein of groot genoeg, precies, net genoeg; in overeenstemming met’; Alor-Maleis pas ‘precies; er precies zijn’; Balinees pas ‘passend zijn; passend’; Gimán pas-pas ‘even (getal); compleet’; Jakartaans-Maleis pas ‘passend, net genoeg’; Javaans epas, pas ‘passend, klein of groot genoeg zijn’; Kupang-Maleis pas ‘passend zijn, precies’; Madoerees ēppas, pas ‘passend, (groot) genoeg’; Makassaars pas-pas ‘precies genoeg (aantal)’; Makassaars pâs, pâsá ‘passen (kleren, schroef), afgepast, precies’; Minangkabaus pas ‘passend, geschikt’; Rotinees pase ‘afpassen’; Negerhollands pas ‘afpassen, precies op maat zijn, aansluiten’; Berbice-Nederlands pasi ‘oppassen’; Papiaments pas ‘afpassen; (verouderd) betamen’; Surinaams-Javaans pas ‘precies passen, precies goed (aantal, hoeveelheid e.d.)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

passen afpassen 1350 [MNW]

passen zijn beurt voorbij laten gaan 1813 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

532. Effen is kwalijk treffen (of kwaad gepast),

d.w.z. iets precies te vinden zooals men het hebben wil, is moeilijk; ook: men kan het moeilijk iedereen naar den zin maken. Het gezegde komt voor bij Winschooten, 185: Effen is quaad te passen, dat is: men kan het alle man niet effen te pas maaken; Van Effen, Spect. VI, 73: Die spreuk kan hem niet onbekend zyn, dat effen is quaed te passen; Halma, 498: Effen is qualyk te passen, il est difficile de rencontrer juste, il est bien malaisé de faire ni trop ni trop peu; Sewel, 210: Effen is kwaalyk te passen, 't is very difficult to satisfy every one; Harreb. I, 190: Er is maar een F (Effe) in het ABC, en die is kwaad te treffen of Effen is kwaad treffen. In Het Schoolblad, 8 Mei 1906, p. 1: Effen is kwalijk treffen. Dat ondervond het N.O.G. bij het zenden van zijn adres om wijziging van art. 21. Terwijl de Bode oordeelt dat het er wat laat mee is, meent De Katholieke School dat het er eigenlijk nog te vroeg mee komt. In 't fri.: effen is slim (kwea) treffen; de wet fen effen is slim to treffen; in de Neder-Betuwe: der is moar een Effe(n)-in-'t ao-b-c.

1871. Er is geen pot zoo scheef, of er past wel een deksel op,

d.w.z. er is geen meisje zoo leelijk, of zij kan wel een man vinden. De Romeinen drukten dit uit met deze woorden: invenit patella dignum operculum; vgl. verder Goedthals, 106: noyt pot so slom, of hy en vant syne schyve; Anna Bijns, Nw. Refr. 103: gheen zoo slimmen scheelken, ten vindt sijnen pot; 104: tot alle cannekens vint men schelen of men vint geen besemen, zij en crijgen stelen. Zie verder Paffenrode, 75: Adagia, 14: daer en is noijt soo scheeven Pot oft men vint daer een scheeltien toe, dignum patella operculum; Harreb. III, 156 b; Sewel, 648; Joos, 162; Waasch Idiot. 533: daar is geen potje of daar past een scheelken op; Antw. Idiot. 992: daar is geenen ééne pot, of daer past e scheeltjen op; Woeste, 204; Dirksen I, 74; Wander III, 1378; Eckart, 412; Jahrb. 38, 161: Dar is nin Pött sau scheefe oder et passet eene Stülpe darup; Ten Doornk. Koolm. II, 747 b: d'r is gên pot so schêf, of d'r findt sük nog wol 'n deksel to; vgl. het fri.: der is gjin pôt sa bryk, of der is in deksel lyk (of der past in lid op); fr. il n'est pas si méchant pot qui ne trouve son couvercle; hd. jedes Töpfchen findet sein Deckelchen; jede Flasche findet ihren Stöpfel; eng. no pot is so ugly as not to find a cover.

2003. Ieder weet het best, waar hem de schoen wringt,

d.w.z. ‘elk kent en gevoelt zyn eigen leed, dat andere menigmaal niet merken, want niemand hinkt aan een anders zeer’ (Tuinman I, 166) of, zooals Poirters, Mask. 308 zegt: ‘Niemandt en siet waer een ander den schoen wringht’. Deze zegswijze vinden we in de 16de eeuw bij Goedthals, 48: een yeghelyck weet best, waar hem zynen schoen dwinght, chascunt sent mieux son soullier; Prov. Comm. 347: een yeghelijck weet best waer hem sinen schoen wrinct, varius hoc egomet scio quo me calcius urget. Vgl. verder Cats I, 518; De Brune, 376: elck weet, waer dat de schoen hem wringt; Idinau, 185; V.d. Venne, 36: Yder weet waer hem de kleeren dwingen; Joos, 166; Harrebomée II, 254 a; Afrik. elkeen weet die beste waar die skoen hom druk. Plutarchus, V.P. Aemilii c. 5, p. 257 deelt mede dat, toen een Romeinsch edelman door zijne vrienden berispt werd, omdat hij van zijne schoone, kuische en rijke vrouw was gescheiden, hij zijn voet vooruitstak en zeide: et hic soccus quem videtis, videtur vobis novus et elegans, sed nemo scit praeter me ubi me premat. Zie Bebel, no. 333; Werner, 66: Omnis homo bene scit, ipsum quo calcius angit en vgl. het hd. jeder weiss am besten, wo ihn der Schuh drückt; fr. chacun sait où le soulier le blesse; eng. none knows where the shoe pinches so well, as he that wears it; Wander IV, 351-352; Eckart, 472; Grimm IX, 1847; vgl. het fri.: elk wit sels bêst hwêr 't him de skoech twingt; Twente: ieder weet, woar 'm de schoo knip; in Zuid-Nederland: weten waar de schoe duwt (De Bo, 998 a), douwt of nijpt (Antw. Idiot. 1082). Zie Ndl. Wdb. XIV, 745.

2248. Op zijn tellen passen,

d.w.z. op zijn hoede zijn, op zijn qui-vive wezen; eig. zich niet vergissen bij het tellen; vgl. de tel kwijt zijn, ook fig. voor onzeker zijn aangaande het tijdstip, waarop een kind zal geboren worden, het boekje kwijt zijn (Brederoo I, 271, vs. 88), het briefje verloren hebbenVgl. ook rekening in de uitdrr.: Verkeerde rekening maken, niet bevallen op den tijd, dien men gedacht had; zij is aan de rekening, zij is zwanger; zij mag gaan buiten haar rekening, maar niet buiten haar tijd, enz. (V. Dale); vgl. Huygens II, no. 174: Sy rekent red'lick wel, het wijf, maer 't kind noch beter in haer lijf.. Eerst in de 19de eeuw aangetroffen bij Harreb. III, 54: Hij past goed op zijn tellen; Nw. Amsterdammer, 27 Febr. 1915 p. 4 k. 1: Hoe lager de persoonlijkheid, hoe sterker zijn egoïsme, omdat wie weinig te verliezen heeft, drommels op zijn tellen moet passen; Handelsblad, 30 Maart 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 5: De Zweden, Noren en Nederlanders, die tot dusverre met minzame hoffelijkheid behandeld werden, moeten thans op hun tellen passen, wanneer zij met Duitschers den oorlog bespreken; Villiers, 126.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut