Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

passant - (voorbijganger)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

passant [voorbijganger] {ca. 1600} < frans passant, eig. teg. deelw. van passer (vgl. passeren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

passant znw. m. ‘voorbijganger’ (sedert ± 1600), vooral in passantenhuis ‘gebouw voor doortrekkende reizigers, die te arm zijn voor een hotel’ < fra. passant, deelw. van passer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

passant znw., vooral in passantenhuis o. Nog niet bij Kil. Uit fr. passant, oorspr. ’t deelw. van passer “voorbijgaan” (zie passen bij pas).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

passant. Sedert ± 1600.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

passant voorbijganger 1600 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal