Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pasen - (christelijk feest ter herdenking van de opstanding van Christus)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Een oudere attestatie wordt gegeven door de naam "Balduinus Paschedag" (Latijnse context), Gent, eind 12e eeuw.[1]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

Pasen zn. ‘christelijk feest ter herdenking van de opstanding van Christus’
Mnl. paschen ‘paasfeest’ in drie waruen int iar; te paschen, te chincsen te middewintere ‘driemaal in het jaar, met Pasen, met Pinksteren, op midwinterdag’ [1236; VMNW], ook in samenstellingen zoals in saterdaghes na pasche daghe ‘op zaterdag na paasdag’ [1297; VMNW].
Mnl. paschen, paesschen is het meervoud van pasch, paesch, dat vooral voorkomt in samenstellingen als paesch dach ‘paasdag’; ook → Pinksteren is een meervoud: deze feesten werden over meer dagen gevierd. Paesch is ontleend aan christelijk Latijn pascha ‘christelijk paasfeest, joods paasfeest’, een ontlening aan Grieks páskha, dat zelf ontleend is aan Aramees pasḥa ‘paasfeest’ (verwant met Hebreeuws pesaḥ ‘id.’), het feest van de uittocht uit Egypte.
Het woord werd in het vulgair Latijn vervormd tot pascua door volksetymologie; pascua betekende oorspronkelijk ‘weide’ en later ook ‘voedsel’. De meervoudsvorm bij pascua heeft uiteindelijk Frans Pâques ‘Pasen’ opgeleverd. De vorm pascha verspreidde zich vanuit de kerkprovincie Keulen over het Rijnland, Westfalen en de Nederlanden naar Noord-Duitsland, het aartsbisdom Hamburg-Bremen, en kwam vandaar door missionering in de Scandinavische landen terecht. In Noord-Duitse dialecten noemt men het feest Paasche en in Zweden Påsk(a).
Ostern is het gewone Duitse woord voor Pasen; het komt overeen met Engels Easter. De Latijnse liturgiediensten op de vroege paasmorgen werden wel albae (paschālēs) genoemd. Albae is het meervoud van alba, het vroege morgenlicht; in de albae herdacht men de wederopstanding van Christus uit het graf in de vroege ochtend. De vertaling van albae in het Duits en het Engels leverde Ostern en Easter op: het morgenrood begint immers in het oosten. In het Oudnederlands komt ostermanoth, letterlijk ‘paasmaand’, voor als benaming voor → april; het geschrift waarin deze naam voorkomt, is vertaald uit het Duits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Pasen [christelijk feest] {Pa(e)sschen 1236} waarin de n de uitgang van de 3e nv. is in de verbinding te Paesschen, vgl. Pinkster, hoogduits Weihnachten < chr. latijn pascha, grieks pascha < aramees pasḥā [idem], vgl. hebreeuws pesah (vgl. Pesach).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

Paas- in samenstellingen als paasbrood, paasdienst, zie: Pasen.

Pasen znw. mv., mnl. pâschen, paeschen een 3de nv. mv. uit de verbinding met voorz. (evenals Pinksteren) van een 1ste nv. pâsche, os. pāscha o. mhd. pāsche o., ofri. pāscha, got. paska (on. pāskar is ontleend aan mnd.), is met de kerktaal overgenomen uit lat. gr. pascha eig. hebreeuws pēsaḥ, aram. peṣḥā.

Het woord is beperkt tot het Rijnland en Westfalen en heeft zich van Keulen uit verbreid, terwijl in het overige Duitse gebied de naam Ostern gebruikt werd (waarvoor zie onder: oost). Dat in NW-Duitsland Paschen zich kon doorzetten is daardoor te verklaren, dat dit feest hier ook het begin van het jaar was (Th. Frings en Nieszen, IF 45, 1927, 282-292 met kaart). — ne. dial. schots pace (sedert 1425, vgl. Bense 258).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paasch-, paschen znw., mnl. pâsche-, paesch-, als znw. pâschen, paesschen, eig. dat. mv. (geabstraheerd uit de verbinding met voorzz.; vgl. middernacht en Pinksteren) van pâsche = mhd. pasche o., os. pâscha o., ofri. pâscha, on. pâskar m. mv., got. paska v. “Paschen”. Uit gr.-lat. pascha, dat oorspr. een hebr. woord is. Voor een oorspr. germ., nog hd. en eng. naam van ’t feest vgl. bij oost. De vocaalrekking voor sk staat wellicht met die in oester op één lijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

Paas[ch]-, Pas[ch]en. De pascha-vormen hebben zich wsch. van het kerkelijke centrum Keulen uit verbreid over de Nederlanden, een groot deel van Nederduitsland en Scandinavië; het bij oost vermelde Ostern is in Zuid-Duitsland door ags. zendelingen ingevoerd, of — wellicht juister — naar ags. voorbeeld gekerstend. Frings IF. 45, 300 vlg.; Germ. Rom. 35. Vgl. ook Braune PBB. 43, 409 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Paschen v., eigenl. dat. van Mnl. Pasche (naar te Paschen, vergel. Sinksen en Hgd. Weihnachten), uit Gr.-Lat. pascha, Chald. id. + Hebr. pesah = voorbijgang (Exod. xii, 11). Thans Paasch- in samenst.; evenzoo palmpaasch verkort uit samenst. als palmpaaschdag, palmpaaschstokje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paose (zn.) Pasen; Vreugmiddelnederlands paschen <1236> < Latien pascha.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Paas(fees): – Pase – , herdenkingsfees i.v.m. die opstanding v. Christus; Ndl. Paasfeest, Pasen (Mnl. pāschen/paeschen, verboë vorm v. pāsche), hou verb. m. Got. paska uit Gr. pasχa uit Hebr. pēsah (Aram. pesha), “opstandingsfees” (Lok s.v. pēsah).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Pasen, (joods) feest ter herdenking van de uittocht uit Egypte; (christelijk) feest ter nagedachtenis aan Jezus' kruisiging en opstanding, op de zondag na de eerste volle maan in de lente; ook ter aanduiding van paaszondag en -maandag.
Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen, nooit.
Pasen (en pinksteren), billen en schaamdelen.
Op z$n paasbest, in zijn mooiste uitdossing.

Het paasfeest was voor de joden het feest van de ongezuurde broden ter viering van de uittocht uit Egypte; voor de christenen werd het de herdenking van Jezus' kruisiging en vooral van Zijn opstanding, die wordt gevierd op eerste paasdag. Het pinksterfeest, waarop de christenen de uitstorting van de Heilige Geest vieren, vindt altijd plaats op de vijftigste dag na Pasen (zie ook Pinksteren). Dit verklaart de betekenis van de uitdrukking als pasen en pinksteren op één dag vallen, 'nooit'. Waar de betekenis 'billen en schaamdelen' vandaan komt, is onduidelijk. Misschien gaat ze terug op de uitdrukking Paschen en Pinksteren laten zien, die in 1727 door C. Tuinman als volgt werd verklaard: 'Dit segt men met eene boertende verbloeming van ymand, die naakt ontbloot word. Men pleegt op Paschen en Pinxteren zyn beste pronkklederen aan te doen. Dit is dan by eene belachelyke tegenzegging.' Ofwel, in een moderne parafrase: zich op zijn paasbest laten zien, ironisch gebruikt voor: zich naakt vertonen.
Er zijn ook in verband met de paasfolklore vele samenstellingen met pasen als eerste lid, zoals paasvakantie, paasontbijt, paashaas e.d.

Rijmbijbel (1271), v. 25798-803. Ihesus sprac na dese word. / Tote sinen ionghers vord. / Weti dat paschen sal wesen. / Ouer .ij. daghe na desen. / Ende smenscen sone ward vercocht. / Verraden ende ter crucen brocht. (Jezus sprak hierna tot zijn discipelen: Weten jullie dat het over twee dagen Pasen is, en dat de Mensenzoon verkocht zal worden en verraden en aan het kruis genageld?)
De presidente opende met schriftlezing en gebed en heette mevrouw A. Verdelman van de Elizabethbode van harte welkom. Na de pauze kreeg zij het woord en hield een inleiding over het onderwerp 'Als Pasen en Pinksteren op een dag valt'. (Meppeler Courant, apr. 1995)
'Toe Gerrit. Straks zien ze je en hebben we een oploop op de stoep.' 'Hoezo?' wilde hij weten terwijl hij het gordijntje nog wat verder opschoof. 'Foei, wat een weer!' 'Nou, je pasen en pinksteren is voor iedereen zichtbaar!' (H. Heeresma, Eén robuuste buste, één!, 1989, p. 70)
[Uit een gesprek vol dubbelzinnigheden over religieuze voorkeuren en seks, n.a.v. Pasen:] -- [...] Jij mag de grootste godsdienstwaanzinnige met je zweepje geven. Goed? -- Oké dan, onbedaarlijke tijgervrouw. Maar dan laat je me eindelijk eens je eigen strakke Pasen zien. (Mare 24, 25-3-1999, p.24)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Pasen (Latijn pascha)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Paschen, bijvorm Paasch; het eerste is eig. de 3e nmv. mv. van Pasche (ontstaan uit de uitdrukkingen als te Paschen), uit gr.-lat. pascha, dat weder van hebr. oorsprong is. Paasch vindt men in de meeste samenstellingen; vandaar kwam die vorm ook als zelfst. woord in gebruik.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paschen, uit ’t Gr.-Lat. pascha, Hebr. pesach = voorbijgang (daar de Engel des doods voorbijging, zie Exodus 12: 11).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Pasen, Paas ‘christelijk feest’ -> Engels pace ‘Pasen’; Shona Pasika ‘christelijk feest’ ; Amerikaans-Engels † paas, paus ‘Pasen’; Negerhollands paes, pascha, paska ‘christelijk feest’; Sranantongo Paska ‘christelijk feest’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † paska ‘joods paasfeest’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

Pasen christelijk feest 1236 [CG I1, 26] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1036. Op St.-Jut(te)mis (als de kalveren op het ijs dansen),

d.w.z. nooit (zie o.a. de Kron. van Roerm. bl. 161 (ao. 1577Aangehaald in Ndl. Wdb. VII, 581.); Pasquilm. blz. 14; Tuinman I, 22), tateldage, zooals men in West-Vlaanderen zegtTaal en Letteren X, 336; Loquela, 477.. St.-Jutte is een niet voorkomende, verzonnen heilige. Het laatste gedeelte der spreekwijze is er komisch aan toegevoegd (vgl. nog Halma, 249: Dat zal te St.-Jutmis gebeuren) en wordt afzonderlijk aangetroffen bij Servilius, 206 (ook Mergh. 2), alwaar het gelijk gesteld wordt aan als de catte ganzen eyer leggen en aan als daer twee sondagen in een week comen (vgl. ook Goedthals, 116). De mogelijkheid is ondersteld, dat met St.-Jut(te)mis de gedenkdag der heilige Judith wordt bedoeld, daar in de middeleeuwen Jutte de liefkoozende vorm was van Judith. Deze gedenkdag valt op 17 Augustus, zoodat het begrip nooit dan wordt uitgedrukt door als de kalveren op het ijs dansen en dergelijke, dat zeker op dien datum niet kan geschieden (zie het Mnl. Wdb. III, 1081Nog andere verklaringen vindt men in Ter Gouw, Volksvermaken, 190 en Com. Vet. 21. Vercoullie, 123 meent dat met St. Jut de pausin Johanna bedoeld wordt.). In de 17de eeuw (V. Moerk. 278) en ook nu nog (Nkr. I, 26 Mei, p. 2: O, Heilige Juttemis, wat zal er, nu gebeuren) komt Sint Juttemis (Juttemus) voor, als uitroep van verbazing, maar ook als schertsende benaming voor een dwazen, armen, berooiden vent, o.a. in den Bloemhof, 2de druk, bl. 27, waar staat: ‘Sinte vrou lors (een slordig wijfNdl. Wdb. VIII, 2942; VII, 582.) die was de bruyt, men sachse sint Jutmis trouwen’, aan welke bet. eveneens herinnert de uitdr. ‘het liedje van St.-Jutmus zingen’, gezegd van iemand, die in een onaangenamen toestand verkeert, er leelijk inzit (Rusting, 460; 482; 486). Daar in de 17de eeuw (en ook later) een jut een dwaas beteekent (bij Huygens VII, 318 heet eene vrouw malle Jut; in het mnd. bet. mal Jutte, albernes frauenzimmer, en Woeste noemt Jutte, Jütgen, Judith ein verachtname eines frauenzimmers, das sich durch körpergrösse, lebhaftigkeit auszeichnet) zal men wel aan eene schertsende afleiding van dit woord moeten denken en in St.-Jutte een der etymologische heiligen kunnen zien, wier aantal niet gering isZie Dr. Bl. I, 9; Tijdschrift XVIII, 196-197; Taal en Letteren II, 173 vlgg.; mnl. Sinte Allene en vooral A. de Cock, De Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 39, 49, 78, 79, 170, 311 en vgl. nog Sinte Vreetop (in Harreb. II, LXXVIII; Prol. 55); St. Brandarius (in Tijdschr. XXX, 70); Sinte-Patie (sympathie; Volkskunde XXIV, 159); Sint Luiaars, Sint Noywerc, Sint-Reinuit (Ndl. Wdb. III, 387); Sinte Koe (Harreb. II, LXXVIII); Sint-Juin (schijn heilige weet niet (Tuinman II, 78); Sint Jummer = immer (Ndl. Wdb. VII, 550); Sinte Pieterceli (Huygens, Trijntje Corn.), enz.. Varianten van deze spreekwijze zijn bij ons: Als alle uwe vingeren even langh zijn; als de keyser op den kordewagen compt (Smetius, 250); als Paschen en Pinksteren op één dag vallen; als Paschen op een maandag valt; met Joden-HemelvaartsdagN. Taalgids XIV, 250.. In Zuid-Nederland: als Paschen op n'en Vrijdag komt; in 't jaar één als de uilen preeken; als witte-donderdag zwarte donderdag heeten zal; als de maan drij teuten heeft; als 't geld regent en boonen waait; als er twee zondagen in de weke komen (Joos, 98); in 't jaar blok als de uilen kraaien en de koeien met patijnen gaan (De Bo, 152); als Paschen op tuindag komt (De Bo, 1195); als de klaveren uit het veld zijn (Rutten, 114); as Paschen in de kriekeweek, in de goeiweek komt (Tuerlinckx, 495); Piele Paschen als de kalver op het ijs dansen ('t Daghet XII, 142); in 't jaar pijpekop, het jaar tabak, het jaar der kinderen (Ndl. Wdb. VII, 23). In het Nederduitsch: as Poaske en Pinkster op ijn dag komen; as Poaske op Soaterdag komt, en de kalver op 't ies dansen; tin Oulen pingsten, wann de Bocke up dem Eise dansset; I Ulenpinksten, wan de kràjjen op 'm uise danset; as 't hoi bloit (Taalgids IV, 248); dat kümmt up lüttje Nümmerdag, wenn de Kalver up 't Is danzet (Eckart, 281; Reuter, 80 en Ten Doornk. Koolm. II, 159 b); to Pingsten, wenn de Mücken pissen un de Pieratz (Regenwürmer) blaffen (Eckart, 406); wenn Pingsten up 'n Frêdag fallt (Eckart, 406). In het Friesch: as der saun sneinen ien 'e wike komme (als er zeven zondagen in een week komen); maar ook: op Sint-Jutmis of Sint-nindei, as de keallen op 't iis dounsje; yn 't jier fen trijebotsens do't de nochteren keallen op 't iis dounsen of do't de kikkerts in de tsjerkerie bileinen. In het eng.: on St.-Tib's ave; when two Fridays come together; at the Greek calends; at latter Lammas (andere bij A. Burvenich, Engl. Idioms and Colloquialisms, 33. In het Fransch: aux calendes grecques (een vertaling van het Latijn: ad calendas Graecas, zooals keizer Augustus placht te zeggen); si le carême dure sept ans; cela arrivera la semaine des trois jeudis, quarante jours après Jamais (zie Halma, die aldus dat zal te St.-Jutmis gebeuren vertaalt); à la foire de saint Jamais; quand les poules pisseront ou auront des dents; le trent - six du mois. In het Hoogduitsch is de gewone uitdr.: zu Pfingsten auf dem Eise of am Nimmermehrstag (Tuinman I, 351: te Sint Nimmermeer), wenn die Esel Lateinisch reden, waarnaast vroeger nog vele andere zegswijzen bestonden; zie Borchardt no. 925; Wander I, 905 en Suringar, Erasmus, IV.Dr. H.H. Knippenberg wil aan St. Juttemis de beteekenis toekennen van het narrenfeest, het carnevalsfeest en de uitdr. verklaren als: in den tijd dat de gekken baas zijn, een zeer korten tijd, zoo goed als nooit of wel als ik eens zoo dwaas ben om aan de vastenavond-vermaken deel te nemen: zie Bijblad (bl. 53-55) van het Tijdschrift voor Opvoeding en Onderwijs, 10 Oct. 1913.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut