Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pas - (kortgeleden; nauwelijks)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pas 2 bw. ‘zojuist, kortgeleden’
Vnnl. pas ‘juist, nauwelijks, kort tevoren’ in dit had hy pas gesproken, of ... [1660; WNT], in de wiege lagh, en pas begon te leven [1669; WNT], pas voor ‘juist voor, kort voor’ [1724; WNT], pas een halve mijl ‘nauwelijks een halve mijl’ [1724; WNT].
Hetzelfde woord als → pas 1 in de nu verouderde betekenis ‘(juiste) moment, (juiste) plaats’, als verkorting van uitdrukkingen als op dit pas ‘op dit tijdstip’ [1440; MNW], juist van passe ‘precies op tijd’ [1513; WNT pas I], recht te pas komen ‘goed gelegen komen’ [1599; Kil.]; in aanmerking komen vooral uitdrukkingen als dat pas ‘dat tijdstip, eertijds’ [1617; WNT pas I]. Wrsch. heeft bij deze betekenissen het werkwoord → passen in de betekenis ‘in orde zijn, juist zijn’ een rol gespeeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pas3 [zoëven] {1605} bijw. gebruik van het zn. pas1, dat reeds middelnl. een ontwikkeling van plaats naar tijd doormaakte: schrede, ruimte waar men gaat, een bep. plaats, een bep. tijdstip.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pas 4 bijw. ‘zoëven, nauwelijks’, eerst na Kiliaen, is het zelfde als pas 1 in de betekenis van ‘tijdstip’, zoals in een uitdr. op dit pas.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pas IV bijw., nog niet bij Kil. = pas I. De bijw.-functie is opvallend. Wellicht uit op dit pas?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pas 6 bijw. (juist van pas), is pas 2 bijwoordelijk gebruikt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2pas bw.
1. Kort rukkie gelede, onlangs. 2. Nouliks. 3. Nie eerder, nie verder nie as.
Uit Ndl. pas (1605 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

pas II: bw., onlangs (bv. so pas); nouliks (pas genoeg); Ndl. pas (nie Mnl. en nog nie by Kil nie), hou verb. m. pas I, meer bep. i.v.m. begrip “tyd”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pas ‘zo-even, bijtijds’ -> Fries pas ‘zo-even, bijtijds’; Duits dialect pas ‘zo-even’; Duits dialect tspasscho ‘te pas komen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds komma (väl) till pass ‘goed van pas komen, bijtijds’ (uit Nederlands of Nederduits); Madoerees pas ‘daarna’; Negerhollands pas ‘zo-even, bijtijds’; Sarnami pás ‘voorbij; zo-even, zonet, zojuist’; Surinaams-Javaans pas ‘pas, net, zo-even, zojuist’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pas bijwoord van tijd: zo-even 1669 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut