Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pas - (geschikt tijdstip, rechte maat, het behoorlijke)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pas 5 in de uitdrukking geen pas geven is verbaalabstract van passen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pas 2 o. (schik), verbaalabstr. van passen.

pas 3 o. (maat), hetz. als pas 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vanpas b.nw.
Gepas, soos dit hoort, geskik, geleë.
Uit Ndl. van pas (1599) 'soos dit hoort'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

van pas ‘gelegen’ -> Negerhollands van pas, vanpas ‘gelegen, terecht’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1271. In iemands kraam te pas komen (of dienen),

‘dat komt hem wel te pas, hy kan daar mede zyn voordeel doen. Ik denk dat het ontleent is van een kramer: die waaren heeft, waar mede hy winst kan doen’ (Tuinman I, 132). Onder kraam moet men verstaan een koopkraam of een mars (vgl. marskramer), zoodat de uitdr. wil zeggen iets in zijn winkel of in zijn mars kunnen gebruiken; geschikt vinden om te verkoopen. Ook in het hd. dialect zegt men das paszt nicht in seinen Kram (Wander II, 1571); in het Noorsch: det passer ikke i hans Kram. De zegswijze komt sedert de 17de eeuw voor; zie Ndl. Wdb. VIII, 22 en vgl. verder Van Effen, Spect. IV, 28; 195; V, 178; IX, 87; Langendijk, Wederz. Huw. Bedrog, vs. 771; Br. v. Abr. Bl. I, 219 en 269; Sewel, 416; Harreb. I, 446; Villiers, 68; enz.

1781. Pas.

Het znw. ‘pas’ (lat. passus; fr. pas; mnl. pas, schrede, stap, voetspoor, weg) komt in verschillende uitdrukkingen voor; o.a. in te pas komen, te stade komen, hd. en oostfri. zu Passe kommen (uit het Ndl.). Pas heeft hier, onder invloed van 't ww. passen, de bet. van dat wat iemand past, voegt; wat hij voor een bepaald doel noodig heeft (vgl. mnl. iet es mijn gevoech); ook naar de juiste maat, op een gepaste, voegzame wijze (vgl. dial. te maat komen en mnl. te gevoeghe). In ergens leelijk of mooi te pas komen (dial. leelijk te maat komen), ergens leelijk terecht komen, er een onaangename ondervinding opdoen, heeft ‘pas’ de reeds in het Mnl. voorkomende bet. van ‘benarde, treurige, toestand’; vgl. eng. to be at a fine (or nice) pass, er leelijk aan toe zijn; things have come to a strange pass; fr. être dans une mauvaise passe. In het Mnl. beteekent wel te passe zijn, in een goeden toestand verkeeren (vgl. mnl. gevoech, goede toestand, en ons te onpas, onwel (hd. unpass), onpasselijk). Deze beteekenis leeft voort in het Zuidndl. op zijnen pas zijn, zich prettig, gezond gevoelen; leelijk te pas zijn, zich onlekker gevoelen, ziek zijn (Antw. Idiot. 1959); ook kent men aldaar op zijnen pas, op zijn gemak (vgl. mnl. gemac, aangename toestand; met gemake, kalm, bedaard). In Van pas komen, op het juiste, goede oogenblik komen, heeft ‘pas’ de bet. van ‘de juiste tijd voor iets’; oostfri. pas oder fan pas kamen; vgl. Kil. pas, tempus oportunum; Afrik. dit kom goed te (van) pas; een woordje op zijn pas (Harreb. I, 218); op dat pas, op dat oogenblik; te pas en te onpas, te gelegener en te ongelegener tijdHet is mogelijk dat de beteekenis tijd zich hier, als zoo dikwijls, heeft ontwikkeld uit die van plaats (Mnl. Wdb. VI, 170). Vgl. fr. à chaque pas, ieder oogenblik.. Pas geven, bij Kil. pas gheven, commodum esse, vacuum esse, oportunum esse, is eene omschrijving van ‘passen’; vgl. mnl. wonder geven = wonderen; die vlucht geven = vluchten. Zie het Mnl. Wdb. VI, 168-175; II, 1799-1800; Ndl. Wdb. XII, 602 vlgg.; Ten Doornk. Koolm. II, 704 en vgl. no. 1281.

1782. In de pas staan (of zijn),

d.w.z. in de gunst, in den geur, in de kas staan (zie o.a. C. Wildsch. III, 276; Brieven, 177; Harreb. I, 383: bij iemand in de kast zijn), in een goed blaadje staan. Vgl. fri. goed by immen yn 'e pas stean, goed aangeschreven staan; V. Schothorst, 182: hij staat bij hem in de pas; V.d. Water, 116: bij iemand in de pas staon, in een goed blaadje staan; Sjof. 12: De meesterknecht, die bij zijn patroon erg in de pas stond; Nkr. II, 1 Nov. p. 6: Om nog meer in de pas te komen lonkt hij de dompers hart'lijk toe; 20 Dec. p. 4: Toen Wentholt in de kamer zoo opgetakeld was, toen dacht hij: pot verjoppie! wat ben ik in de pas; III, 14 Febr. p. 6: Daarbij kom je in de pas; 18 Juli p. 6: Wie staat er in de Hofstad thans bij velen in de pas, omdat hij is het tegendeel van wat hij vroeger was?; VI, 16 Maart p. 6: Lang draagt hij zijn haren, lang draagt hij zijn jas, bij Kuyper staat hij goed in de pas; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 7: De Hollandsche gezinnen (in België) stonden ook zoo best niet meer in de pas; Gron. 95: Toch ondervindt Ernst nog wel, dat-i bij z'n driegever (een leeraar) niet bijster in den pas staat; D.H.L. 21: Hij weel wel, dat-i in den pas staat bij den kapitein; Haagsche Post, 8 Febr. 1919, p. 155 k. 4; Peet, 82. Hiernaast Uit de pas zijn, uit de gunst zijn, in Opr. Haarl. Courant, 3 Mei 1922, p. 5 k. 5: In ‘le Journal’ schuift Vautel Lloyd George (die heelemaal bij hem uit de pas is) een nieuw denkbeeld in de schoenen. - Wat eigenlijk onder ‘pas’ in deze zegswijze moet worden verstaan, is onzeker. Van de Water, 116 vermoedt: met iemand gelijken danspas houden, met iemand goed kunnen omspringen, wel zijn met iemand; Van Ginneken II, 456 verklaart: wanneer men achter elkaar marcheert en men heeft niet denzelfden pas, dan gaat het loopen slecht. Men trapt op de hielen van anderen en krijgt woordenZoo ook Haagsche Post, 5 Mei 1923, p. 628.. In den pas gaat het beter. Bij deze verklaringen past het ww. ‘staan’ evenwel niet en zou men bovendien het voorzetsel ‘met’ verwachten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut