Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pas - (stap; smalle doorgang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pas 1 zn. ‘stap; bergengte’
Mnl. pas ‘soort stap, tempo’ in ginc hi wech al sinen pas ‘liep hij weg zo snel hij kon’ [1265-70; VMNW], ‘pad, weg’ in din swaren pas ‘die moeilijke weg, die beproeving’ [1265-70; VMNW], ‘(juiste) tijdstip’ in ouer haren pas ‘over haar bloeitijd heen’ [1265-70; VMNW], ‘lengtemaat’ in een pas hadde ... .v. voete ‘een pas telde 5 voeten’ [1285; VMNW], ‘bergengte’ in over berch ... daer die pas sere staerc ende inge was ‘over de berg, waar de pas zeer steil en smal was’ [1300-25; MNW], algemener ‘toegangsweg, doorgang’ in so reden si over tpas [midden 14e eeuw; MNW], ‘bepaald tijdstip’ in op dit pas ‘op dit moment’ [1440; MNW], ‘bepaalde plaats, bepaalde ruimte’ in opten pas, daer O. woonachtich was ‘tot aan de plaats, waar O. woonde’ [1470-90; MNW], ‘voetstap’ in pas over pas ‘stap voor stap’ [1486; MNW].
Ontleend aan Frans pas ‘lengte van een pas’ [1380; TLF], eerder al ‘bergpad, zware passage’ [1160-74; TLF], ‘gang, soort pas’ [ca. 1196; TLF], ‘bergengte’ [1080; TLF] en ‘schrede, voetstap’ [eind 10e eeuw; TLF] < Latijn passus ‘schrede, voetstap; lengtemaat’, letterlijk ‘het gespreid zijn (van de benen)’, van het ww. pandere (verl.deelw. passum en pānsum) ‘uitspreiden, openzetten’, verwant met → vadem.
Uit de betekenis ‘pas, voetstap’ ontstonden al in het middeleeuws Latijn en Frans betekenissen als ‘soort pas, tempo’ en ‘voetstappen, spoor, pad, weg’, waaruit ook ‘moeilijk pad, passage, bergengte’ en ‘doorgang, toegangsweg’. De betekenis ‘lengte van een pas, lengtemaat’ bestond al in het klassiek Latijn, zie → mijl. In het Middelnederlands ontstond de betekenis ‘bepaalde ruimte, bepaalde plaats’ en bij overdracht daaruit ook ‘bepaald tijdstip’, zie ook → pas 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pas1 [schrede] {pas(se) 1265-1270} < frans passe < latijn passus [schrede, stap], van verl. deelw. passum, van pandere [uitstrekken, uitspreiden]. De uitdrukking in de pas zijn bij iemand betekent waarschijnlijk dat men bv. bij het marcheren hetzelfde ritme aanhoudt als zijn partner.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pas 1 znw. m. ‘stap’, mnl. pas m. o. ‘schrede, het gaan, wijze van gaan, weg, bepaalde plaats, tijdstip, toestand, juiste maat, doorgang, toegangsweg, bergpas’ < fra. pas > lat. passus ‘schrede’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pas I znw. (de en het); mnl. pas (ss) m.o. “schrede, het gaan, wijze of snelheid van gaan, weg, bepaalde plaats, tijdstip, toestand, goede toestand, benauwde toestand, juiste maat, doorgang, toegangsweg, bergpas, plaats in een boek”. Evenals mnd. pas m.o., ofri. pas o. met dgl. bett. ontl. uit fr. pas > lat. passus, oorspr. “schrede”. Sommige mnl. bett. kunnen onder invloed van ’t ww. passen zijn opgekomen. Nhd. pass m. (reeds 1561 = “transitus”) wordt als een ontl. via het. Ndl. of Nederrijnsch opgevat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pas 1 m. (stap), Mnl. pas, gelijk Hgd. pasz, Eng. pace, uit Fr. pas, van Lat. passum (-us), afgel. van ’t v.d. van pandere = uitstrekken, verwant met patere (z. vadem).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pas s.nw.
1. Tree. 2. Snelheid in 'n wedren of wedstryd. 3. Deurgang in of oor 'n berg. 4. Dokument wat as bewys dien dat 'n persoon, bv. 'n soldaat, in 'n bepaalde gebied mag rondbeweeg. 5. Geleë tydstip.
Uit Ndl. pas (al Mnl.). Sommige woordeboeke behandel bet. 5 as 'n aparte lemma (Van Dale 1999, HAT, nie WNT). Die herkoms daarvan kan ook na pas (1pas 1, 3 of 4) herlei word met oordrag van die opvatting 'bepaalde ruimte' op tyd, dus 'bepaalde tyd, tydstip'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pas I: s.nw., gang (bv. pasgang v. perd), stap, tree (bv. danspas; i. d. pas loop); regte plek/tyd (te pas, van pas, vgl. paslik); deurgang (bv. bergpas); verlofbrief (bv. paspoort), in S.A. veral n.a.v. Eng. pass vir inboorlinge sedert begin 19e eeu; vlak (bv. waterpas); Ndl. pas (Mnl. pas) uit Fr. pas uit Lat. passus, “skrede, tree”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pas (Frans pas)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pas ‘schrede’ -> Indonesisch pas ‘schrede; danspas’; Soendanees pas ‘schrede’.

pas ‘bergpas’ -> Indonesisch pas ‘bergpas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pas schrede 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut