Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

part - (deel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

part zn. ‘deel’
Mnl. part, paert ‘deel, aandeel’ in Dat wij diere passiën part in desen live moeten draghen ‘dat wij in dit leven een deel van uw lijden moeten dragen’ [1339; MNW], dit broot te deelen in vier paerten [1480; MNW], geen part off andeel ‘part noch deel’ [1450-1500; MNW]; vnnl. paert, part ‘deel’ [1599; Kil.], ‘iemands aandeel’ in haer part ‘het haar toekomende deel’ [1622; WNT], in de vaste verbinding voor mijn part ‘voor mijn deel, wat mij aangaat’ in voor mijn paert [ca. 1650; WNT]; nnl. partje ‘deeltje’ in (eieren) ... een vierde partje proeven [1787; WNT kinderkost], dunne partjes appel [1894; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans part ‘deel, aandeel’ [eind 10e eeuw; TLF], eerder ook al ‘kant, zijde, plaats’ [842; TLF], ontwikkeld uit Latijn pars (genitief partis) ‘deel, aandeel; kant, zijde’.
Latijn pars is misschien verwant met Sanskrit pūrtá-, pūrtí- ‘geschenk, beloning’; Hittitisch parsiya- ‘deel, onderdeel’; < pie. *prh3-tí- bij de wortel *perh3-. Schrijver (1991: 195-196) veronderstelt echter om morfologische en semantische redenen dat pars een jongere, Italische formatie met *-ti- is bij de wortel *par- zoals in parere ‘voortbrengen, verkrijgen’, dat uiteindelijk wel bij dezelfde Indo-Europese wortel hoort, zie → paraat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

part1 [deel] {pa(e)rt 1350} < frans part < latijn partem, 4e nv. van pars [deel, gedeelte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

part 2 znw. o. v. ‘deel’, mnl. part, paert o. v., parte v. ‘deel, aandeel; detail; rededeel’ < fra. part < lat. parte- (voor de bet. ‘rededeel’ vgl. lat. partes). Algemeen westgerm. leenwoord vgl. mnd. part o., mhd. parte, part v. o. (nhd. part m. o.), ofri. oe. part m., on. partr m. — Zie ook: partij en partner.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

part II (deel) znw. o., dial. pārt, mnl. part, paert o. v., parte v. “deel, aandeel, detail, rededeel”. Uit fr. part “deel”, in de ’t laatst genoemde bet. direct uit den lat. pluralis partes. In alle w.-en ngerm. talen ontleend: mhd. parte, part v. o. (nhd. part m. o.), mnd. part o., ofri. ags. part m. (eng. part), on. partr m. “deel” (en daaruit ontstane bett.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

part 1 o. (deel), uit Fr. part, van Lat. partem (pars) = deel.

part 3 v. (touw), is hetz. w. als part en bet. verdeeling, deel van een touw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paart (zn.) deel; Middelnederlands part <1339>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

part s.nw.
1. Aandeel, deel. 2. (geselstaal) Onderdeel van 'n masjien.
In bet. 1 uit Ndl. part (al Mnl.). In bet. 2 uit Eng. part (1886).
Ndl. part en Eng. part uit Fr. part uit Latyn partem, met lg. die akkusatief van Latyn pars 'deel, gedeelte'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

part (noch deel) (Frans part)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

part. De elliptische verwensing je kunt voor mijn part! laat alle calamiteiten open. De betekenis ervan is afgesleten tot ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ en drukt onverschilligheid en minachting uit van de spreker. → kunnen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Part, van ’t Fr. part, van ’t Lat. pars (4e nv.: partem) = deel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

part ‘deel’ -> Negerhollands part, partie, parti, pati ‘verdelen, uitdelen; deel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pati ‘verdelen; deel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

part deel 1350 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1779. Part noch deel aan iets hebben,

d.w.z. niet in iets deelen, geen deelgenoot in iets zijn; geen schuld aan iets hebben; mnl. part noch deel, part of deel (of delinghe) hebben ane iet. Het znw. part, zuidnl. paart, is ontleend aan het fr. part (deelVoor verbindingen van een uitheemsch synoniem met een eigen woord zie Tijdschrift, XXIII, 25; XXXI, 235; Salverda de Grave, Franse Woorden, bl. 30 en no. 1656.). In de 16de eeuw ook part (paert) en deel hebben met iemand of van, aan iets (Plantijn; vgl. Rutten, 167 a: paart-en-deel, aandeel; Tuerlinckx, 490). Zie verder R. Visscher, Sinnep. 108: Geen part en deel hebben aan iets; Font. 93 r; Mouf. 30: Part noch deel hebben van iets; Vierl. 72: Paert ende portije hebben met iem.; bl. 78: Paert ende deel hebben in iets; Ndl. Wdb. XII, 531-532. Ook kende men in de 17de eeuw parten en deelen in den zin van ‘partiri’ (Winschooten, 185). Vgl. voor de 18de eeuw Halma, 497: Ik wil aan die zaak part nog deel hebben, je ne veux pas avoir de part à cette affaire ou dans cette affaire; je ne veux pas m'en mêler; fri. ik ha dêr part noch deel oan; fr. avoir ni part ni quart à qqch; eng. neither part nor lot; neither art nor part; no part or share (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut