Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

parlement - (volksvertegenwoordiging; de Tweede Kamer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

parlement zn. ‘volksvertegenwoordiging; de Tweede Kamer’
Mnl. parlement ‘gepraat; raadsvergadering’ in nv hort hoe tuschen hen uerginc dat parlement ‘nu hoort hoe dat plechtig gepraat tussen hen verliep’ [1265-70; CG II], van groten maecti geen parlement ‘over grote (misdaden) maken jullie geen ophef’ [1285; CG II], de jueden van der stat elcs iaers hilden hare parlement ‘de joden van de stad hielden elk jaar hun vergadering’ [1290; CG II], die coninc dede houden sijn parlement ‘de koning liet zijn raadsvergadering houden’ [1340-50; MNW]; vnnl. parlement ‘vergadering met staatsgezag’ in Also het Parlement ofte Staten, hier op geen resolutie antwoorde van haer Princesse ontfinghen [1599; Van Meteren, 247]; nnl. wanneer, zooals hier, aan het parlement een ruim aandeel in de regering is toegekend ‘id.’ [1865; iWNT].
Ontleend aan Frans parlement ‘discussie, gesprek’ [1080; Rey] en ‘raadsvergadering’ [1165; Rey]. Het Franse woord is een afleiding van parler ‘spreken’ [ca. 980; Rey], dat is ontwikkeld uit christelijk Laatlatijn parabolare ‘spreken’ [7e eeuw; Rey], afleiding van parabola ‘woord, betoog, allegorische vergelijking’, een betekenisuitbreiding van klassiek Latijn parabola ‘vergelijking’, zie → parabel. Zie ook → parool.
In het Nederlands is de betekenis ‘vergadering’ vernauwd tot ‘vergadering met staatsgezag’ en ten slotte, sinds de oudste Nederlandse grondwet uit 1798, overgegaan tot ‘gekozen volksvertegenwoordiging’. Wellicht is deze ontwikkeling beïnvloed door het Franse woord of door Engels parliament, die deze betekenissen al eerder hebben.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

parlement [volksvertegenwoordiging] {parlement, parlament [gepraat, gesprek, vergadering] 1265-1270; de huidige betekenis 1883} < frans parlement [idem] of direct < middeleeuws latijn parlamentum [spreekkamer, vergadering, bijeenkomst, parlement], van parabolare [spreken, samen spreken, beraadslagen], van parabola [vergelijking, woord] (vgl. parabel). De huidige betekenis o.i.v. engels parliament.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

parlement znw. o., mnl. parlement, paerlement o. ‘druk gepraat; woordenwisseling; vergadering, congres; vergadering bekleed met staatsgezag, parlement; geschil, twist; rechtsstrijd, pleidooi, proces; opschudding, rumoer’ < fra. parlement ‘gesprek, dispuut’ (sedert de 13de eeuw ‘parlement; gerechtshof’), is een afl. van parler ‘spreken’ < vulg.-lat. paraulare gevormd bij lat. parabole ‘gelijkenis’, maar reeds in het vulg.-lat. verzwakt tot de bet. ‘woord’. — In de zin van ‘vertegenwoordigend lichaam’ is het woord in de 17de eeuw door het ne. parliament beïnvloed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

parlement znw. o., reeds mnl. en wel behalve in de bet. “vergadering met staatsgezag of met rechtsmacht” ook = “gepraat, (druk) gesprek, gesprek of bijeenkomst waarbij onderhandeld wordt, geschil, rumoer”. Ontl. uit ofr. parlement (van parler > gr.-lat. parabolâre) met verschillende bett. Dit werd ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

parlement. De tegenwoordige bet. onder invloed van eng. parliament: vgl. motie Suppl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

parlement s.nw.
Hoogste wetgewende liggaam van 'n land.
Die vorm uit Ndl. parlement (al Mnl.).
Die bet. uit Eng. parliament (1330). Die bet. van Mnl. parlement was o.a. 'luide gepraat', 'samespreking', 'vergadering van geestelikes' en ook 'vergadering beklee met staatsgesag'. Aanvanklik het veral in Engeland die parlementêre regeringsvorm ontwikkel.
Ndl. parlement uit Fr. parlement.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

parlement: volksraad; Ndl. parlement (Mnl. pa(e)rlement/parlament, “gepraat; vergadering; geskil; pleidooi; rumoer”) uit Fr. parlement, “dispuut”; (sedert 13e eeu) “geregshof” (afl. v. ww. parler, “praat”) uit Ll. paraulare, “woord”; in bet. “volksraad”, veral in Eng. parliament (sedert 17e eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

parlement (Frans parlement of Engels parliament)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

parlement ‘volksvertegenwoordiging’ -> Deens parlament ‘volksvertegenwoordiging’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors parlament ‘volksvertegenwoordiging’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch parlemén ‘volksvertegenwoordiging’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

conservatief [politiek behoudend] (1848). In 1848 breken overal in Europa revoluties uit. Een direct gevolg hiervan was een grondwetswijziging naar Engels voorbeeld, op initiatief van de liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). De invloed van Engeland op de Nederlandse politieke ontwikkelingen is in deze periode zeer groot, en als gevolg daarvan worden er veel Engelse politieke termen overgenomen, zoals conservatief, debater, demonstratie (‘betoging’), imperialisme, internationaal, parlement, pragmatisme, protectionisme en quorum. De nieuwe staatsinrichting in de negentiende eeuw zorgt sowieso voor allerlei nieuwe termen in het Nederlands, zoals actief kiesrecht, passief kiesrecht, kieswet en volksvertegenwoordiging. Neerlandicus Jan te Winkel zegt hierover in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Zoo heeft de meer democratische regeeringsvorm van 1848 allerlei woorden in onze spreektaal ingevoerd, die of geheel nieuw waren of te voren slechts nu en dan waren geschreven. Daar het jeugdig parlementarisme zich het zooveel oudere en meer ontwikkelde Engelsche in menig opzicht tot voorbeeld nam, kwamen er als van zelf ook Engelsche woorden in de mode, als budget (naast “begrooting”), club, en daarvan de jongere samenstelling kamerclub, meeting en speech [...]. Partijnamen ontstonden als clericaal en christelijk-historisch, behoudend en vooruitstrevend (’t laatste nog jong, zooals over het algemeen het streven zonder nader aangeduid doel), socialistisch (of sociaal, zooals het volk zegt) en radicaal, dat nu ook absoluut gebruikt kan worden, terwijl men vroeger alleen van “radicaal bedorven”, enz. kon spreken. Tamelijk nieuw zijn ook nog monsterverbond, kiesplicht, stemplicht, dienstplicht, leerplicht , schoolplicht. Tot het allernieuwste (sinds 1897 bekend) behoort ook stempotlood.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

parlement volksvertegenwoordiging 1883 [WNT] <Frans of Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut