Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

parket - (ingelegde houten vloer; kleine afgeperkte ruimte; bureau openbaar ministerie bij de rechtbank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

parket zn. ‘ingelegde houten vloer; kleine afgeperkte ruimte; bureau openbaar ministerie bij de rechtbank’
Mnl. in sijn parket ‘in zijn vak, paneel’ (gezegd van schilder) [1419; MNW], in dit perket bringen (letterlijk) ‘in deze afgesloten ruimte brengen’, (figuurlijk) ‘in moeilijkheden brengen’ [1470; MNW]; vnnl. parcket ‘gehoorzaal, tribunaal’ [1599; Kil.]; nnl. een klein, dus genaamd, Parquet, van drie Banken ‘de voorste rijen in een schouwburg, bij de orkestbak’ [1792; iWNT], in de samenstelling parketvloer ‘ingelegde houten vloer’ [1906; WNT].
Ontleend aan Frans parquet ‘houten vloer uit panelen’ [1664; Rey], eerder al ‘paneel (van een altaarstuk)’ [1398; Rey], ‘afgesloten ruimte om patrijzen te vangen’ [1376; Rey], verkleinwoord van Oudfrans parc o.a. ‘omheind jachtterrein’ [1160-74; Rey], zie → park.
Uit de oorspronkelijke betekenis ‘afgeperkte ruimte’ ontstond in het Middelnederlands al de uitdrukking eenen in een perket bringen ‘iemand in gevaar, moeilijkheden brengen’, hetgeen tegenwoordig nog herkenbaar is in de verbinding een lastig of moeilijk parket.
Omdat de vertegenwoordigers van het openbaar gezag in een kleine afgeperkte ruimte zaten, werd deze ruimte in het Frans ook parquet genoemd [1366; Rey], en later werden de openbare aanklagers [1694; Rey] en het bureau van het openbaar ministerie [1836; Rey] eveneens zo aangeduid. Net als de betekenis ‘voorste rijen in een theater’ [1796; Rey] zijn deze wrsch. opnieuw aan het Frans ontleend.
Een parket(vloer) wordt zo genoemd omdat deze uit losse, grotere of kleinere houten delen bestaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

parket [afgeperkte ruimte, openbaar ministerie, zitplaats in schouwburg] {parket, perket [afgeperkte ruimte, parket, balie, paneel] 1414} < frans parquet [parket (in alle betekenissen)], verkleiningsvorm van parc [afgeperkte ruimte] (vgl. park).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

parket

Een parket is een klein park, dat is wel duidelijk. Een park of perk is een omheind stuk grond, een besloten ruimte. In het verkleinwoord parket ziet men heel duidelijk in hoeveel richtingen een bepaald begrip zich kan ontwikkelen. Vat men parket op als: afgesloten ruimte, waaruit men niet kan ontsnappen, dan is de uitdrukking: iemand in een moeilijk parket brengen, verklaard. Denkt men aan een afsluiting naar rang of prijs, dan begrijpt men parket als een deel van de toeschouwersruimte in de schouwburg. Draagt men het begrip: omheinde plaats over op de personen die binnen de omheining zetelen, dan is parket in de zin van Officier van Justitie en Openbaar Ministerie duidelijk. En tenslotte bezigt men het woord voor blokken, waaruit een ingelegde vloer wordt samengesteld.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

parket znw. o., mnl. parket, perket o. ‘afgesloten ruimte, sluitboom’, bij Kiliaen ook reeds ‘tribunal’ < fra. parquet een afl. van parc.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

parket znw. o., mnl. parket, perket o. “afgesloten ruimte, sluitboom (bij Kil. ook al “tribunal”), paneel”. Uit fr. parquet, een afl. van parc. Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

parket o., uit Fr. parquet, dimin. van parc = park (z. park), dus = kleine omheining, bepaaldelijk in de gerechtszaal voor de rechtsambtenaren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

parkèt (zn.) 1. zitplaats in schouwburg 2. parket; Middelnederlands parket <1419> < Frans parquet.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

parket (Frans parquet)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

parket ‘openbaar ministerie’ -> Indonesisch parkét ‘openbaar ministerie’; Papiaments parkèt ‘openbaar ministerie’.

parket, parketvloer ‘vloer gemaakt van fijn hout’ -> Indonesisch parkét ‘houten vloerbedekking’; Papiaments parkèt, flur di parkèt ‘vloer gemaakt van fijn hout; hout dat hiervoor gebruikt wordt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

parket afgeperkte ruimte 1414 [MNW] <Frans

parket openbaar ministerie 1599 [WNT] <Frans

parket zitplaats in schouwburg 1792 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1778. In een lastig (of moeilijk) parket zitten,

d.w.z. in groote moeilijkheid zitten, waar men zich niet uit weet te redden; zich in een gevaarlijken toestand bevinden. Onder een parket, het verkleinwoord van park, moet men verstaan eene omheining; vandaar dat in een parket zitten beteekent: in eene omheining, binnen eene omsloten ruimte zitten, waar men niet uitkomen kan; in het nauw zitten, in een gevaarlijken toestand verkeeren. In de middeleeuwen bij Froissart, I, 143 komt enen in een perket brengen voorIc ende alle die cappiteinen.... wij sullen dairomme sterven moeten.... ende dese rijke lude sullen quijtgaan ende met ons betalen (ons opofferen) ende ons in dit perket bringen ende hemselven vryen.. Kiliaen vertaalt ‘parcket’ door septum, clausum (omheining) en bij Anna Bijns komt het meermalen voor; o.a. Refr. 156; 213: In een oncruypelijck parket; 392; 441: Wij en mochten in geen quaeder percket steken. Zie verder Hooft, Brieven, 246; Van Lummel, 509: In 't parket blijven; Van Loon, 87; Halma, 502: Iemand în 't perket brengen, gemeenzame spreekw., intriguer quelqu'un dans une méchante affaire; Sewel, 635: Iemand in perket brengen (in ongemak brengen), to bring one in a scrape; V. Janus, 165: Iemand in een schoon parquet brengen; Nkr. VII, 5 Juli p. 3: In een mal parket; VIII, 18 Juli p. 3: In een lastig parket; Harreb. II, LV: Hij komt daar in een leelijk parket; Kunstl. 188: U zit in 'n zuur parket!; De Arbeid, 15 Nov. 1913 p. 3 k. 2: Wat is nu het geval? Dat vooral de modernen in een moeilijk parket komen. In de middeleeuwen gebruikte men hiervoor: in een vreselijc crijt; in een quaet gewat, en thans in West-Vlaanderen in den kansel zitten, in het nauw zitten, welk kansel ook oorspr. omheining van traliewerk beteekent (lat. cancellus, cancelli altaris, traliehek rondom het altaar); zie De Bo, 488 b en vgl. no. 266. en vgl. Antw. Idiot. 769: in de litsen zitten (vgl. fr. lice, strijdperk).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal