Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

park - (publieke wandelplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

park zn. ‘publieke wandelplaats’
Onl. park in het toponiem Parcum ‘abdij Park bij Heverlee (Brabant BE)’ [1129; Gysseling 1960]; mnl. parc ‘beplant (jacht)terrein’ [1274; CG I], De sine riep hi in een parc ‘hij riep de zijnen (manschappen) naar een exercitieterrein’ [1285; VMNW], daertoe was beloken dat parc met groten zwaren stenen ‘daarvoor was het stuk grond afgebakend met grote zware stenen’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. ‘publieke wandelplaats’ in Men reed op schaetsen over de vijvers in 't Parck [1689; WNT]; nnl. park der Artillerie ‘artilleriedepot, -terrein’ [1850; WNT], ‘verzameling militaire voertuigen’ in wagenpark of eenvoudig park [1861; WNT].
Wrsch. ontleend, met herhaaldelijke latere betekenisontlening, aan Frans parc ‘omheind jachtterrein’ [1160-74; Rey], ‘omheinde boomgaard’ [1220; Rey], ‘omheind stuk grond voor recreatie’ [1337; OED], ‘groot aangelegd gebied bij een landhuis om in te ontspannen en te wandelen’ [1664; Rey]. Het Franse woord is ontleend aan middeleeuws Latijn parricus ‘omheind stuk grond voor vee’ [9e eeuw; OED], eerder ook parracus ‘omheinig’ [8e eeuw; OED].
De herkomst van het Latijnse woord is onzeker. Het kan gevormd zijn uit Laatlatijn *parra ‘paal’ en het achtervoegsel -icus ‘-achtig, op de manier van’. Tegenargumenten zijn de late attestatie van het Latijnse woord, de niet-aangetroffen vorm *parra (maar vergelijk Oudfrans barre ‘paal’, Spaans parra ‘latwerk voor wingerd’ en mnl. parre/perre ‘afgeheind stuk land’, nog in de familienaam Van de Perre, en zie ook → baar 3 ‘staaf’), en het feit dat het van oorsprong Griekse achtervoegsel -icus in het Latijn niet lang productief geweest is.
Een andere mogelijkheid is dat middeleeuws Latijn parracus teruggaat op een West-Germaans woord van onzekere herkomst, dat mogelijk verwant is met → spar en → versperren en in dat geval ook de rechtstreekse voorloper van het Nederlandse woord kan zijn. Tegenargumenten zijn de on-Germaanse anlaut p- (maar dit zou verklaard kunnen worden door een niet-Indo-Europese substraatbron) en het gebrek aan bewijs voor het bestaan van een ongeleed Germaans woord (OED).
Ohd. pfarrih, pferrih ‘omheining, omheind stuk grond’ (nhd. Pferch ‘veegrond’, naast later ontleend Park ‘park’).
De betekenis ‘publieke wandelplaats’ is vanaf de 17e eeuw wrsch. opnieuw ontleend aan het Frans of het Engels, waar toen publieke parken in zwang raakten. De combinatie nationaal park is ontleend aan Amerikaans-Engels National Park [1841; Rey]. De militaire betekenissen komen ook in het Frans voor: parc d'artillerie ‘artilleriedepot’ [1678; Rey], door metonymie parc ‘verzameling militaire voertuigen’ [1823; OED], later door uitbreiding ook ‘verzameling voertuigen’ [1894; Rey]. Zie ook de nevenvorm → perk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

park [beplant terrein] {parc, paerc, parric [omheining, lusthof] 1274} middelnederduits park, perk [afgesloten ruimte], oudhoogduits pfarrich, pferrich [omheining], oudengels pearroc [omheinde ruimte]; de nl. vorm park is vermoedelijk < frans parc, de vorm perk (met a > e voor r + gutturaal) rechtstreeks uit het grondwoord middeleeuws latijn parricus [omheind terrein], dat uit het gallisch, mogelijk uit het iberisch stamt. Vgl. tuin en paradijs voor de betekenis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

park znw. o., mnl. parc, paerc, perc, parric, perric m. ‘omheinde ruimte, bijv. ook jachtterrein, lusthof’, mnd. park, perk m. o., ‘afgesloten ruimte’, ohd. pfarrih, pferrih m. ‘omheining’ (nhd. pferch), oe. pearroc ‘omheinde ruimte’. — Blijkens de hd. vormen moet het woord reeds vóór de hd. klankverschuiving < mlat. parricus ontleend zijn, dat verder verbonden wordt met iber. *parra ‘hekwerk’. Het woord parricus moet dus aanmerkelijk ouder zijn dan zijn eerste voorkomen in de Leges Rip. (8ste eeuw). — Fra. parc, dat eveneens daarop teruggaat, dringt over de Nederrijn als aanduiding van een omheinde bosruimte naar Duitsland, maar krijgt zijn huidige betekenis eerst in de 18de eeuw onder invloed van de engelse parkaanleg.

In het Nl. staan park en perk naast elkaar; terwijl het laatste de regelmatige voortzetting van parricus is, kan het 1ste een ontlening aan het fra. woord zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

park znw. o. Gaat met nhd. park m., eng. de. zw. park “park” op fr. parc “id.” terug. De periode van de ontl. in het Ndl. (wsch. Oudnnl.) is moeilijk na te gaan, aangezien het woord in oudere teksten (en ook in veel diall. van nu) formeel moeilijk te onderscheiden is van ndl. perk o. (met e uit a voor r + gutturaal; zie erg; misschien waren tevens umlauts-condities voorhanden als in het Hd.), mnl. parc, paerc, perc, parric, perric o. m. “omheinde, afgesloten ruimte” (in allerlei speciale toepassingen, ook al = “jachtterrein” en “lusthof”), = ohd. pfarrih, pferrih m. “omheining” (nhd. pferch), mnd. park, perk m. o., ags. pearroc m. “afgesloten ruimte”. Een ook rom. woord: fr. parc, mlat. (reeds vroeg) parricus enz. met dezelfde — op verschillende wijzen gespecialiseerde — bet. Gew. zoekt men den oorsprong in het Rom. De ontl. moet dan al vóór de verhuizing van de Angelen en Saksen in de 5. eeuw hebben plaats gehad. Men vergelijkt dan spa. parra “latwerk”, prov. parran “ingesloten tuingrond”. Anderen gaan van ’t Germ. uit en combineeren spar. Beide etymologieën zijn onzeker. De vormen zijn het best te begrijpen, als we van een germ. stam *parruka-, *parrika- uitgaan, van een germ. basis parr-. Een grondvorm lat. *parcus, die bij parco “ik spaar” zou kunnen hooren met een bet. als “einfriedigung”, is formeel onaannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

park o., gelijk Hgd. en Eng. id., uit Fr. parc: z. perk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

park s.nw.
1. Afgeperkte ruimte waarin diere en plante in hulle natuurlike staat aangetref word. 2. Ruimte in 'n stad beplant met bome en struike wat as 'n openbare ontspanningsoord ingerig is. 3. Terrein waar voertuie getrek word.
Uit Ndl. park (Mnl. parc in bet. 1 en 2, 1837 - 1838 in bet. 3). Bet. 2 het al in Mnl. uit bet. 1 ontwikkel. By of om 'n kasteel was die jagterrein van die eienaar (bet. 1). Hierdie terrein is ook kunsmatig verfraai (bet. 2). Bet. 3 is oorspr. in die krygskunde gebruik vir die terrein waar die artillerievoertuie hulle bevind het.
Mnl. parc uit Fr. parc.
D. Park, Eng. park.
Vgl. perk.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. Het Park, naam van een sociëteit (de instelling en het gebouw) te Paramaribo. Er zijn bepaalde groepsverbanden die vooral in Paramaribo een eigenaardige politieke rol spelen. Een daarvan is de Buitensociëteit ’Het Park’, waarvan het lidmaatschap een statussymbool is, en waar de ’hogere’ politiek druk besproken en grotendeels gemaakt wordt, vooral door bijna alle Creoolse* politici (A.J.A. Quintus Bosz & L.L. in Helman 1977: 320). - Etym.: Het oorspronkelijke gebouw is gelegen in een park.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

park (Frans parc of Engels park)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

park ‘publieke wandeltuin’ -> Indonesisch park ‘publieke wandeltuin’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

park beplant (jacht)terrein 1274 [CG I1, 274] <Frans

park publieke wandeltuin 1661 [WNT] <Engels

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1778. In een lastig (of moeilijk) parket zitten,

d.w.z. in groote moeilijkheid zitten, waar men zich niet uit weet te redden; zich in een gevaarlijken toestand bevinden. Onder een parket, het verkleinwoord van park, moet men verstaan eene omheining; vandaar dat in een parket zitten beteekent: in eene omheining, binnen eene omsloten ruimte zitten, waar men niet uitkomen kan; in het nauw zitten, in een gevaarlijken toestand verkeeren. In de middeleeuwen bij Froissart, I, 143 komt enen in een perket brengen voorIc ende alle die cappiteinen.... wij sullen dairomme sterven moeten.... ende dese rijke lude sullen quijtgaan ende met ons betalen (ons opofferen) ende ons in dit perket bringen ende hemselven vryen.. Kiliaen vertaalt ‘parcket’ door septum, clausum (omheining) en bij Anna Bijns komt het meermalen voor; o.a. Refr. 156; 213: In een oncruypelijck parket; 392; 441: Wij en mochten in geen quaeder percket steken. Zie verder Hooft, Brieven, 246; Van Lummel, 509: In 't parket blijven; Van Loon, 87; Halma, 502: Iemand în 't perket brengen, gemeenzame spreekw., intriguer quelqu'un dans une méchante affaire; Sewel, 635: Iemand in perket brengen (in ongemak brengen), to bring one in a scrape; V. Janus, 165: Iemand in een schoon parquet brengen; Nkr. VII, 5 Juli p. 3: In een mal parket; VIII, 18 Juli p. 3: In een lastig parket; Harreb. II, LV: Hij komt daar in een leelijk parket; Kunstl. 188: U zit in 'n zuur parket!; De Arbeid, 15 Nov. 1913 p. 3 k. 2: Wat is nu het geval? Dat vooral de modernen in een moeilijk parket komen. In de middeleeuwen gebruikte men hiervoor: in een vreselijc crijt; in een quaet gewat, en thans in West-Vlaanderen in den kansel zitten, in het nauw zitten, welk kansel ook oorspr. omheining van traliewerk beteekent (lat. cancellus, cancelli altaris, traliehek rondom het altaar); zie De Bo, 488 b en vgl. no. 266. en vgl. Antw. Idiot. 769: in de litsen zitten (vgl. fr. lice, strijdperk).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut