Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paren - (bijeenvoegen, geslachtgemeenschap hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paar zn. ‘stel, koppel’; telw. ‘enkele’
Mnl. paer, par ‘bijeenbehorend tweetal’ in een par anscoen ‘een paar handschoenen’ [1270; VMNW], ‘meer dan een, niet beslist twee’ in drie paer balken ‘drie sets balken’ [1285; VMNW], ‘kleine reeks’ in drie par tande ‘drie rijen tanden’ [1285; VMNW], ‘koppel van levende wezens’ in een par ghiere ‘een mannetjes- en een vrouwtjesgier’ [1287; VMNW], ‘span van twee dieren’ in uif par ossen te vif ijoken ‘vijf span ossen voor vijf jukken’ [1291-1300; VMNW]; nnl. paar ook als onbepaald telw. ‘stuk of wat’ in geen paar oortjes waard [1732; WNT], een paar uur wandelen [1784; WNT].
Ontleend aan Latijn pār ‘tweetal; het gelijke’, zelfstandig gebruik van het bn. pār ‘gelijk’, van onbekende herkomst.
paren ww. ‘bijeenvoegen; geslachtsgemeenschap hebben’. Vnnl. paeren, paren ‘in paren bijeenvoegen’ [1573; MNW], ‘bijeenvoegen’ in paren met een ... van besette jaren ‘laten samenwerken met een ouder iemand’ [1625; WNT], ‘samen laten gaan’ in als ghy sang en spel wilt paren [ca. 1633; iWNT], ‘geslachtsgemeenschap hebben’ in vogelkens paren, om haer geslacht voort-te-setten [1634; WNT voortzetten]; nnl. ook in de vaste verbinding gepaard gaan met ‘vergezeld gaan van’ in bekwaamheid gepaard met geduld [1765; WNT]. Afleiding van paar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paren ww., sedert Kil. en ’t Mhd. Van paar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2paar ww.
1. Pare maak of saambring. 2. (veral t.o.v. diere) Geslagsgemeenskap hê. 3. Saamgaan met of verbind, sonder dat aan 'n paar gedink word.
Uit Ndl. paren (al Mnl.). Mnl. paren was ongewoon, en kom nie voor in bet. 2 nie.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

paren (paarde, heeft gepaard), (ook:) zich tot een tijdelijk paar verenigen, bijv. om te lopen of te dansen. Onderwijzer tegen klas: Kom kinderen, nu eerst paren en dan naar de bus. - Etym.: In AN veroud. - Zie ook: paar*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paar: s.nw. en onbep. telw., gew. “twee”, maar ook “etlike”; ww. “twee-twee saamvoeg; geslagsdaad verrig”; Ndl. paar (Mnl. paer) aan Lat. par, “gelyk” ontln., terwyl Eng. pair via Fr. paire uit Lat. pāria, “die gelyke” stam – Ndl. ww. paren (in Mnl. ongew. en in bet. “geslagsdaad verrig” nog nie in Mnl. en by Kil nie).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut