Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

parel - (bolletje parelmoer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

parel zn. ‘bolletje parelmoer’
Mnl. perle, parle, paerle ‘parel’ in die fine perle ‘de fraaie parel’ [1287; VMNW], twee pairlen ‘twee parels’ [1444; MNW], peerle ‘edelsteen’ [ca. 1483; MNW]; vnnl. peerle, perle ‘parel’ [1599; Kil.], bij overdracht ook ‘iets prachtigs’ In U Ed. Italiaensche rijmen ... zulke perlen ... ‘uw Italiaanse gedichten, zulke parels’ [1630; WNT]; nnl. parel ‘bolletje parelmoer’ in dat de ... oesters somtyds paarlen bevatten [1771; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans perle [1100-50; TLF], of Italiaans perla [1200-50; DELI], aan middeleeuws Latijn perla, perula, waarvan de verdere herkomst niet duidelijk is. Mogelijk (BDE, Pfeifer) gaat perla, perula terug op vulgair Latijn *pernula, verkleinwoord van klassiek Latijn perna ‘achterbout; weekdier met de vorm van een ham, mossel, oester’, verwant met → verzenen ‘hielen’, en betekent het dus zoveel als ‘oestertje, dingetje uit een oesterschelp’. Mogelijk (Toll., Kluge) is perla, perula een kruising van perna ‘ham; weekdier’ en sphaerula ‘balletje, bolletje’, verkleinwoord van sphaera ‘bal, bol’, zie → sfeer, en betekent het ‘oesterbolletje’.
In Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands perle werd er- voor medeklinker > ar-, ār-, met als resultaat parle, paarle, Nieuwnederlands parel.
Een probleem bij de verklaring van middeleeuws Latijn perla, perula blijft dat deze vormen vóór de 12e eeuw nauwelijks worden gevonden, terwijl in sommige Germaanse talen al veel eerder vormen met -l- verschijnen, zoals Oudhoogduits perala, perula [9e eeuw; Pfeifer], Oudsaksisch perula.
Lit.: Schönfeld, par. 57c, d

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

parel [klompje paarlemoerstof in oester] {pe(e)rle, pa(e)rle 1287} < frans perle < middeleeuws latijn perula, perla [idem], mogelijk verkleiningsvorm van perna [ham] (verwant met gotisch fairzna, nederlands verzenen). De uitdrukking paarlen voor de zwijnen werpen [goede raad geven aan hen die de waarde er niet van inzien] is ontleend aan Mattheus 7:6. Zwijnen zijn onrein voor joden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

parel, paarl znw. v., mnl. perle, peerle, paerle, parle v. en pērel m., os. perula, ohd. perala, perla, berala, berla (nhd. perle) is reeds vroeg (9de eeuw) ontleend aan vulg. lat. perla. Men verklaart dit woord als een kruising van lat. perna ‘schelpsoort’ en sphaerula ‘kogeltje, bolletje’.

Een ander woord is os. merigrīta, merigriota, ohd. merigrioʒ, oe. meregrota, got. marikreitos < lat. margarīta, gr. margarítēs. De west-germ. woorden zijn door volksetymologie gewijzigd en maken de indruk ‘zeegruis’ te betekenen, zie meer 1 en gort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

parel, paarl znw., mnl. perle, peerle, paerle, parle v. (pērel m.). Voor ’t vocalisme vgl. paars. = ohd. për(a)la, bėr(a)la (nhd. perle), os. përula, laat-on. përl v. “parel”. Uit het rom. woord fr. perle (> eng. pearl), it. perla > vulgairlat. *pĕrla, waarin men *pĕr(n)’la, een demin. van lat. perna “een soort mossel”, mlat. ook “parel” kan zien. Minder wsch. is de afl. van lat. pirum “peer”, en weinig aannemelijk ook die uit lat. bêryllus (zie beril). Met de hd. b uit rom. p vgl. hd. birne bij peer. Van gr. margarī́tēs, lat. margarîta komen got. marikreitus (m.?), ohd. merigrioʒ m., os. merigrîta, -griota v., ags. meregrot o., meregrota m. “parel”, alle volksetymologisch vervormd, naar meer I, in sommige talen verder naar *ʒreuta-, *ʒruta- (zie gort).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

parel vr., gelijk Hgd. perle Eng. pearl, Fr. perle, uit Mlat. perulam (-a), wellicht dimin. van klass. Lat. pirus = peer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

perel (zn.) parel; Vreugmiddelnederlands perle <1287> < Frans perle.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pêrel s.nw.
1. Gesogte juweel wat in 'n oesterskulp gevorm word. 2. Iets, bv. 'n waterdruppel, wat aan 'n pêrel (pêrel 1) herinner. 3. Iets kosbaars of van besondere waarde. 4. Uitgroeisel op die horingvlies.
Uit gewestelike Ndl. pêrel (al Mnl.). In huidige alg. Ndl. is die aa-vorm, soos ook o.a. parel, oorheersend as gevolg van 'schoolse invloed' (Kloeke 1950: 103). Aan die Kaap is die ee-vorm 'een provinciaal-Hollandse oudheid bewaard' (ibid.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

parel (Frans perle)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Paarlen of parels voor de zwijnen werpen, iets waardevols geven aan mensen die dat niet weten te waarderen.

De uitdrukking paarlen (of parels) voor de zwijnen werpen gaat terug op Matteüs 7:6, 'Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren' (NBV). De uitdrukking wordt nog vaak gebruikt. Er wordt ook wel op gevarieerd, zoals in het volgende zweverige citaat: 'Ze waren geen monster meer, maar een paar. Steeds lichter werden zij; ze gooiden hun zwaarte voor de zwijnen en werden zo licht dat ze in rook dreigden op te gaan' (J.J. Hermsen, Het dameoffer, 1998, p. 145).
In de Rijmbijbel (1271) en het Luikse Diatessaron is trouwens nog geen sprake van parels maar van margariten, de Middelnederlandse aanduiding van deze kostbaarheid.

Deux-Aesbijbel (1562), Matteüs 7:6. En gheeft het heylighe den honden niet, noch en worpt oock uwe Peerlen voor de Swijnen niet. (Statenvertaling (1637): noch en werpt uwe peerlen niet voor de swijnen.)
Soms was ik het grondig eens met de anonieme auteur die het onderwijs heeft omschreven als het werpen van valse paarlen voor echte zwijnen. (M. Gijsen, Lucinda en de lotoseter, 1968 (1958), p. 10)
Babette zei dat ze graag met hem zou uitgaan, met hem pronken, omdat hij zo interessant was. Maar ze moest deze lamp onder de hooischelf houden. Geen parels voor de zwijnen. (P. Verhuyck, De doodbieren, 1991, p. 48)
Privatisering van nutsbedrijven is parels voor de zwijnen werpen. (Buitenhof, NOS-televisie, 7-11-1999)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Parel, van ’t Lat. peruia en dit waarschijnlijk het verkleinwoord pirus = peer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

parel ‘klompje parelmoerstof in oester’ ->? Duits Perle ‘klompje parelmoerstof in oester’; Deens perle ‘klompje parelmoerstof in oester’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors perle ‘klompje parelmoerstof in oester’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pärla ‘klompje parelmoerstof in oester’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands perl, peerl ‘klompje parelmoerstof in oester’; Papiaments † perrel ‘klompje parelmoerstof in oester’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo peri ‘klompje parelmoerstof in oester’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

parel klompje paarlemoerstof in oester 1287 [CG NatBl] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1761. Paarlen voor de zwijnen werpen.

Deze uitdrukking is ontleend aan Mattheus VII, vs. 6, waar Jezus vermaant om het heilige niet aan de hondenDe hond was bij de Oostersche volken, evenals het zwijn, een onrein, veracht dier. te geven, noch de paarlen voor de zwijnen te werpen, opdat zij niet te eeniger tijd ze met de voeten vertreden, en zich omkeerende u verscheuren (Zeeman, 276-277). Men verstaat er onder: iets goeds en schoons geven aan hen, die er de waarde niet van weten te schatten; de uitdr. is synoniem met rozen voor de varkens strooien, dat wordt aangetroffen in I Sam. 25, 37 (kantt. 63); zie Brab. Yeest. VI, 76: Perle voore die zwine te strouwen; Ovl. Lied. e. Ged. 438, 63: Die rozen stroit voor tswinecod verliest sine pine; Eggaert, 225: En men en sal die margrieten voor die verkenen niet ghieten of worpen (bl. 184); Despars, I, 57: Wel ziende dat hy al roosen voor zueghen stroyde; Campen, 50; Spieghel, Byspraax Alm. op 9 Maius; Brederoo I, 348: Hier blyckt dat gy niet gaarn jou Roosen voor Verckens stroyt; Ndl. Wdb. XIII, 1311; XIV, 18: de varkens saffraan geven; Afrik. jou perels vir die swijne gooi, enz. Vgl. ook Suringar, Erasmus, CXCVIII; Joos, 91 en het hd. man soll die berli oder schöne rosen nit den suwen furschutten (15de eeuwZeitschrift für D. Phil. 1897, p. 110.); die Perlen vor die Säue werfen; fr. donner des perles aux porcs ou semer des perles devant les pourceaux; eng. to cast pearls before swine.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut