Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paprika - (zoete peper, plant met rode, groene of gele vruchten (Capsicum annum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paprika zn. ‘zoete peper, plant met rode, groene of gele vruchten (Capsicum annum)’
Nnl. paprika ‘soort peper’ [1863; Kramers], ‘poeder van gedroogde rode paprika's’ in naast de echte paprika ziet men het poeder van baksteen, waarmede men hem vervalscht [1891; Groene Amsterdammer], ‘vruchten van de paprikaplant’ in paprika's (vulpepers) [1934; Vaderland].
Ontleend, wrsch. via Duits Paprika [19e eeuw; Kluge], aan Hongaars paprika ‘zoete peper, paprikapoeder’, dat zelf ontleend is aan Servisch pàprika, verkleinwoord van pàpar ‘peper’, ontleend aan Grieks péperi, zie → peper.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paprika [plant, specerij] {1901-1925} < hoogduits Paprika, via hongaars < servokroatisch paprika, verkleiningsvorm van nieuwgrieks piperi < klass. grieks peperi (vgl. peper).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paprika s.nw.
1. Poeier van 'n tipe gedroogde vrug gemaak en gebruik om geregte te kruie. 2. Tipe vrug, wat o.a. opgesny en in slaai kom.
Uit Eng. paprika (1896 in bet. 1, 1941 in bet. 2).
Eng. paprika uit Hongaars paprika.
D. Paprika, Fr. paprika, Ndl. paprika.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paprika: spesery- en pln. (Capsicum annuum, fam. Solanaceae); Ndl. paprika (nie in WNT nie), Eng. paprika (1898) uit Hong. uit Ser. papar, “peper”, gew. bek. as Hongaarse paprika, “rooipeper”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paprika (Duits Paprika)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paprika ‘plant, specerij’ -> Indonesisch paprika ‘plant, specerij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paprika plant, specerij 1902 [Kerner von Marilaun, Leven der planten] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal