Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

papegaai - (zangvogel (familie Psittacidae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

papegaai zn. ‘zangvogel (familie Psittacidae)’
Mnl. papegay [1287; VMNW]; vnnl. ein papegoy ‘een papegaai’ [1515; Murmellius], papegay [1567; Nomenclator, 70b]; nnl. pappegaay [1762; Houttuyn I, 4, 225].
Ontleend aan Oudfrans papegai ‘papegaai’ [eind 12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans dial. ‘schietschijf’), dat is ontleend aan Arabisch bab(b)aḡāʾ, dat zelf ontleend zal zijn aan een klanknabootsend woord uit een onbekende Afrikaanse taal. De papegaai is in de Arabische landen zelf niet inheems. Het laatste deel van het woord is in het Nederlands volksetymologisch beïnvloed door → gaai.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

papegaai [vogel] {pape(n)gaey 1287} < oudfrans papegai, papingai < spaans papagayo < arabisch babghāʼ, babbaghāʼ, dat vermoedelijk in West-Afrika is ontleend. In het nl. heeft gaai vermoedelijk een rol gespeeld, in het frans geai [idem] en voor engels popinjay, evenzo jay [gaai].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

papegaai znw. m., mnl. papegaey, papegay, papegoy, evenals mnd. papagoie, papegoie, mhd. papegey (nhd. papagei), ne. popinjay, nde. poppegøie, papegøie, nzw. papegoja uit het romaans vgl. fra. papegai, spa. papagayo, dat teruggaat op arab. babġā’, dat waarschijnlijk op een afrikaans woord pampakei zal teruggaan. — Men neemt voor de uitgang -gaai invloed van de vogelnaam gaai aan, maar dit geldt ook reeds voor fra. papegai. — > russ. popugáj (sedert 1704, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 67).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

papegaai znw., mnl. papegaey, papegay, papegoy m. Evenals mhd. papegey (nhd. papagei), papegân m., mnd. papa-, papegoie m., eng. popinjay, de. poppegøie, papegøie, zw. papegoja via ’t Rom. (ofr. papegai, spa. papagayo enz.) uit arab. babagâ, perz. bapgâ “papegaai”, ’t Woord is wsch. uit het westen van Indië afkomstig ( ’t is ook wel voor ospr. port. gehouden). Een oudere ontl. in ’t Germ. is ohd. mhd. sitich (nhd. sittich), mnd. sidik, sēdek m. “papegaai” uit gr.-lat. psittacus. Wanneer de papegaai in de germ. landen geïmporteerd is, staat niet vast; op een zijden kleed van ’t begin der 11. eeuw in ’t museum te Neurenberg komen reeds twee papegaaien voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

papegaai. In het Arab. was het een ontleend woord (misschien uit een westafrik. taal, waar de vogel pampakei heet?). — De ndl. vorm maakt de indruk van door gaai geïnfluenceerd te zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

papegaai v., gelijk Hgd. papagei, Eng. popinjay, uit Ofra. papegai, dat met andere Rom. namen van Ar. babagā. Als mastnaam is het een vergelijking met den klauterstok van een papegaai.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Duitsche Pappegaay Benaming in Houttuyn 1762 (p.330) voor de Scharrelaar ↑. Houttuyn reserveert de naam Scharlaar voor het geslacht Coracias, waartoe Linnaeus zes soorten rekent (waaronder de Wielewaal!). Houttuyn: “De Duitsche Pappegaaijen zyn niet minder schoon van kleur dan die [= Vlaamsche Gaaijen], en, zo zy als Europisch mogen aangemerkt worden, inderdaad de aanzienlyksten van ons Wereldsdeel.” Dit verklaart het naamsdeel Pappegaay: de prachtige blauwe kleuren van de soort kende men eigenlijk alleen van Papegaaien. Verder zou de soort bekend zijn uit de duitse stad Straatsburg (= Argentoratus in het latijn); Houttuyn zegt: “Te vooren hadt LINNAEUS deezen vogel betrokken tot de Raaven; de Ouden noemden hem blaauwe Kraay, doch de Algemeene naam is Garrulus Argentoratensis, of Straatsburgsche Gaay. Men geeft ’er, omtrent die Stad, den naam van Roller aan, en daar van leidt BRISSON den naam af van Rollier ...” “De Engelschen noemen hem ook Roller, de Sweeden Spaansche Kraay of blaauwe Kraay, de Duitschers Hout- of Bosch-Kraay, Galgen-Regel, Mandel Krahe en Birch-Heher.” Op Tab. XVII in Jonston 1660 vinden we linksboven de vogel (in zwart-wit) afgebeeld, met de naam “holtz Kräe”, die Houttuyn ook vermeldt (“Hout-Kraay”). Ook staat in Jonston de naam “Cornix Ceruda”, welke naam we nu omvormen moeten tot een juister ‘Cornix Cerulea’, in vertaling: ‘blauwe kraai’. Deze naam gebruikt ook Worm 1655 (zie sub Scharrelaar). Vermoedelijk is dit bij Eber & Peucer 1549 de vogel aangeduid met “Ceruleo κύανος ein brachvogel zimmer”, omdat zowel de Lat als de Gr naam naar de blauwe kleur van de soort verwijzen, terwijl D “brachvogel” er op wijst dat de soort op braakliggende velden zijn voedsel zoekt. De naam “zimmer” is echter verrassend, omdat die steeds in het D (als Ziemer) in verband gebracht is met Kramsvogel en/of Grote Lijster.
ETYMOLOGIE N Duits <Duitsch duutsc, duutsch, duytsch ‘nederlands; germaans’; vlaams diets (1270) <diedisch, diedsch (1236), ditsch (c.1240); oudsaksisch thiudisk; D deutsch tiutsch diutisc (daz diutsche lant); E Dutch ‘hollands, nederlands’ Duch; gotisch þiudiskō ‘heidens’, omdat het woord, in oudste overlevering gelatiniseerd theodiscus1,2 (788), ‘(in de) volkstaal’ betekende, gesteld tegenover de kerktaal, het latijn. Mnl diet, diede, oudsaksisch thioda, oudfries thiâde, ohd diot(a), oudengels ðēod, oudnoords þjōð, gotisch þiuda, *þeuðô, alle ‘volk’; Lat Teutoni ‘bepaald germaans volk, in 102 v. Chr. door de Romeinen verslagen’, Lat teutonicus ‘germaans’, in welke zin nog steeds E Teutonic (‘de germaanse talen’). Buiten het germ: keltisch tauta ‘volk’, oudiers tuath ‘volk’, oskisch touto ‘volk’, umbrisch tota-, tuta- ‘stad’, oudpruisisch tauto ‘land’, litouws Tauta ‘Duitsland’.

==

1 >It tedesco ‘Duits’.

2 door het inlenen van de germ þ naar het Lat kwam het woorddeel theo- in theodiscus samen te vallen met het deel theo-/Theo- in veel Lat woorden (Theo- te maken heeft is Theo(door); met germ þeuðo daarentegen hebben namen te maken als Diederik, Dirk, Thade, Thake, Tsjitske etc.

Papegaai Algemene N naam voor veel soorten uit een hele vogelfamilie (Psittacidae) (>D Sittich ‘Parkiet’).
Fries Pappegaai. D Papagei (<Papegey (15e eeuw) Papegai (eind 12e eeuw; naast het gebruikelijker Perroquet) Papagayo; It Pappagallo, nieuwGr Papagás; E Parrot (c.1500), maar éérder een woord dat nu een andere betekenis heeft gekregen, te weten Popinjay. Dit E woord heeft een identieke ss. als mnl Papegay1 [Van Maerlant vs.3266] en Pape(n)gaey te weten pope ‘paap’ (zie sub Paapje) + jay ‘Gaai’ ↑. Al deze woorden bestonden al ruim vóór de ontdekking van Amerika (1492); het benoemingsmotief “roodgekleurde vogel die een Gaai-achtig geschreeuw uitstoot” zou perfect geweest kunnen zijn, maar speelt dus zeker niet voor een zuidamerikaanse roodgekleurde soort als Ara macao. De oorsprong van het woord ligt dan ook vroeger en elders: arabisch (moors?) Babagha, dat op zijn beurt als Pampakei uit een westafrikaanse taal schijnt te zijn ontleend, is de voorloper van de europese namen.
De Papegaai komt niet in Europa als inheemse vogel voor. Dat betekent dat de introductie van het woord in de europese talen gerelateerd moet zijn aan het tijdstip waarop de eerste contacten werden gelegd met (bewoners uit) gebieden waar de Papegaaien voorkomen. Getuige Gr Ψιττακός psittakós (ook: sittas) kenden de Grieken de ‘Papegaai’ al. Dit zou nl. de Halsbandparkiet ↑ en/of Psittacula alexandri (Linnaeus) 1758 uit India geweest kunnen zijn. De laatste is genoemd naar Alexander de Grote (356-323 v.Chr.), tijdens wiens tocht naar het Midden-Oosten deze soorten gezien zouden zijn, gevangen en mee naar huis genomen (Macedonië). [De vraag rijst of er, wat de namen betreft, verband is met Gr sittê (= Boomklever, een ‘Specht’ of misschien nog wat anders?) [vgl. Jobling 1991 sub Sitta en sub Psittacus].} – Dennenpapegaai is een volksnaam voor de totaal niet-verwante Kruisbek Loxia cur- virostra, vanwege enkele aspecten aan uiterlijk en gedrag die aan Papegaaien doen denken. Zee-Pappegaay ↑ is een naam, die Houttuyn 1763 gaf aan de Papegaaiduiker. Ook deze vogelsoort behoort niet tot de Papegaai(achtig)en.

==

1 Dat in het N vaak aan papa ‘vader’ gedacht zal zijn en het woord fout gespeld (als papagaai), zoals Van der Sijs doet voorkomen [OTT 4/10/’02], lijkt niet zeer aannemelijk, ook al niet vanwege de klemtoon op -gaai. De incidentele spelling *papagaai zal misschien eerder aan het D woord te wijten zijn. Overigens zou de spelling met a’s etymologisch gezien correcter zijn.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

papegaai: (gedachteloos) naprater; jaknikker die domweg (maar meestal uit eigenbelang) anderen napraat zonder te begrijpen wat er werkelijk gezegd wordt. Aan het begin van de twintigste eeuw noemde men in Ned.-Indië zo iemand ook wel een beo*. Er bestaat ook een werkwoord: papegaaien. Een andere nabootser van de mens is de aap*.

Dan weer is hy myn Papegaai, en prevelt zo eenige phrases, die hy zelf niet verstaat. (E. Bekker, wed. Wolff, Historie van den Heer Willem Leevend, 1784-1785)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

papegaai (Oudfrans papegai)
Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pappegej (zn.) papegaai; Vreugmiddelnederlands papegay <1287> < Frans papegai.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

papegaai s.nw.
1. Tipe tropiese voël. 2. (histories) Houtvoël op 'n paal waarna teiken geskiet is.
Uit Ndl. papegaai (Mnl. papegaey).
Ndl. papegaai uit Oudfrans papegai via Sp. papagayo en Arabies babgha uit 'n taal van W.Afrika.
D. Papagei, verouderde Eng. popinjay, Sweeds papegoja. Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1817 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

papegaai’ (de, -en), naam voor papegaaien van middelmatige grootte, met een betrekkelijk korte en stompe staart, w.o. de (groene) amazonepapegaaien (mason*, Amazona-soorten). Het vlees van raven* en papegaaien is taai, zodat men er soep van trekt (Geijskes 1954: 79). - Etym.: AN p. = verzamelnaam voor alle ’papegaai-achtigen’ (Psittacini), dat zijn zowel de SN papegaaien, als de grotere SN raven*, als de kleinere SN parkieten*. Oudste vindpl. Hartsinck 1770: 108. S popokai. - Zie ook: parkiet*, raaf*.
— : paarse papegaai, (veroud.) voornamelijk blauw, roodachtig en paars gekleurde papegaai* met een korte staart (Pionus fuscus). De paarse papegaai heeft een karmozijn rooden kop; het bovenlijf is van dezelfde kleur (Teenstra 1835 II: 425; enige vindpl.). - Syn. bruine margrietje*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

papegaai: voëls. (spp. Psittacus, fam. Psittaceae); Ndl. papegaai (Mnl. papega(e)y/papegoy), Hd. papagai, Eng. popinjay (blb. nie verb. m. parrot nie), wsk. via Fr. papegai of Sp. papagayo uit Arab. babagā (Lok s.v. babagā), mntl. uit Ind.; v. ook gaai II.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

papegaai1 [bepaalde vogel]. Papegaai, Duits Papagei, Engels popinjay, oud-Frans papegai, papegaut, Italiaans pappagallo, Spaans en Portugees papagayo, stammen zonder twijfel af van het Arabische babagâ of het Perzisch bapgâ, maar daar deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch noch Perzisch kunnen zijn, blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk thuishoren. Prof. Dozy, die papegaai niet in zijn Oosterlingen opnam, veronderstelt in zijn Glossaire des mots Espagnols, p. 326 dat het een Afrikaans woord is: ‘M. de Slane, dans une note sur la traduction d’Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu’il appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern, m’assure, qu’il n’est pas ainsi. Je suppose donc que c’est un terme Africain.’ Onmogelijk is dit zeker niet, maar de ondergeschikte rol die de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch er is ook nog een andere veronderstelling mogelijk: het woord kan ook van Papoease oorsprong zijn, evenals kazuaris, of ook aan een van de Molukse landtalen behoren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds wegens de veelsoortigheid en schoonheid van hun papegaaien beroemd geweest. Vergelijk het aangetekende op kaketoe en lori. [V]

papegaai2 [bepaalde vogel]. Veth brengt in herinnering dat de in Europa gebruikelijke woorden voor papegaai uit het Arabisch of Perzisch stammen, maar dat de eigenlijke oorsprong elders te zoeken is. Hij opppert de gissing of papegaai ook van Papoease oorsprong kan zijn. A priori klinkt die gissing niet waarschijnlijk, want als de Arabieren of Perzen hun babagâ, bapgâ uit Indië ontvangen hebben, zal het toch eerder uit het westen dan uit het verre oosten geweest zijn. Bij de zeer gebrekkige kennis die men van de talen op Nieuw-Guinea bezit, zou het dwaasheid zijn te beweren dat daarin niets van wat op ‘papegaai’ lijkt te vinden is. Aan de andere kant is het niet geheel van belang ontbloot op te geven welke woorden voor papegaai ons uit enige Papoease talen bekend zijn. In het Mafoors heet de witte papegaai mân (dit is ‘vogel’) gras; de groene en rode mân nabeef; de rode mân jawĕr. Bij dit laatste sluit zich aan het Hattamse oejoura, en naar het schijnt ook oejoi te Ansoes, en oijan aan de Humboldtbaai. Uit de taal van Ansoes wordt nog een andere naam opgegeven, karaboea, dat enige overeenkomst vertoont met kabrai van de Astrolabebaai. Te Hattam kent men ook nog de benaming hanjaka.

Als een andere mogelijkheid wordt gesteld dat ‘papegaai’ bij een van de Molukse landtalen hoort. Maar in de twintig talen van Ambon, Batoemerah, Allang, Waai, Hitoe, Larike, Asiloeloe, de Oeliassers, Boeroe en Ceram draagt de vogel namen die niets op ‘papegaai’ lijken; zie de woordenlijst van Ludeking in Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, deel III, volgreeks 3, p. 254 en volgende.

Wij mogen niet nalaten hieraan een opmerking toe te voegen, die Veth ons ten goede houde. Niet zonder reden verwijt men ons in het buitenland en klaagt men hier te lande dat er nog zoveel leemten in onze kennis van Indonesië overblijven. Laten wij onze tekortkomingen eerlijk belijden, maar wachten wij ons het publiek te stijven in de mening alsof wij nog onwetender zijn dan werkelijk het geval is. [K]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

papegaai ‘bont gekleurde tropische vogel’ -> Deens papegøje ‘bont gekleurde tropische vogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors papegøye ‘bont gekleurde tropische vogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds papegoja ‘bont gekleurde tropische vogel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins papukaija ‘bont gekleurde tropische vogel’ ; Pools papuga ‘bont gekleurde tropische vogel’; Russisch popugáj ‘bont gekleurde tropische vogel’; Oekraïens popugá ‘bont gekleurde tropische vogel’ ; Wit-Russisch papugáj ‘bont gekleurde tropische vogel’ ; Litouws papūga ‘bont gekleurde tropische vogel’; Koerdisch papaxan ‘bont gekleurde tropische vogel’; Zuid-Afrikaans-Engels papegaai ‘doelwit in papegaaivorm bij schuttersfeest’ ; Berbice-Nederlands papkai ‘bont gekleurde tropische vogel’; Sranantongo popokai, popkai, p'pkai, p'pokai ‘bont gekleurde tropische vogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

papegaai papegaaiachtige 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut