Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pap - (halfvloeibare brei van melk of water met een gemalen graansoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pap zn. ‘halfvloeibare brei van melk of water met een gemalen graansoort’
Mnl. pappe ‘halfvloeibare brij’ [1240; Bern.], Die vrouwe nam ene panne, bloeme ende melc uut eenre kannen ende ginc ene pap ghereiden [1410; MNW bloeme].
Mogelijk een woord uit de kindertaal dat zelfstandig in verschillende gebieden kon ontstaan. De aanvankelijk beperkte verspreiding, alleen Nederlands, Nederduits en Rijnlands, is volgens Frings (1932) evenwel een aanwijzing dat het woord uit het Romaans is overgenomen. Te vergelijken zijn dan bijv. Italiaans pappa ‘kinderbrij’ en Latijn pappa ‘brij, pap’ en pappare ‘pap eten’.
Mnd. pappe ‘meelbrij’ (ontleend in het nzw. als papp ‘karton’); mhd. (hoofdzakelijk Middelduits) pappe ‘id.’; nfri. pap ‘id.’; vne. pap ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pap [halfvloeibaar voedsel] {pappe 1201-1250} < latijn pappa, papa [pap, kindervoedsel], van pappare [(pap) eten], klankschilderend gevormd.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

pap

Pap is melkbrij voor kinderen. Het woord komt in verscheidene talen voor. Het Engels heeft pap, het Duits Pappe en het Italiaans pappa. Ook de Scandinavische landen hebben soortgelijke woorden. Aangezien het Latijn het werkwoord pappare: pap eten, kende, heeft men gemeend dat het woord in het Rijngebied uit het Romaans is overgenomen. Anderen achten het waarschijnlijker dat pap in het Germaans onafhankelijk van andere talen is ontstaan als een soort natuurwoord dat spontaan wordt gevormd wanneer kinderen afwisselend de lippen openen en sluiten. Op dezelfde wijze is immers het vleinaampje voor de vader: pa of papa in de kindermond ontstaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pap znw. v. ‘melkbrij voor kinderen’, mnl. pappe, pap v., mnd. pap, mhd. pappe (vooral md.), fri. ne. pap. Ook in de romaanse talen, vgl. ital. pappa ‘kinderbrij’ en lat. pappāre ‘pap eten’.

Men denkt gewoonlijk aan een kinderwoord (IEW 789), dat zich dus in het germ. onafhankelijk van het romaans kan gevormd hebben. Op grond van de verspreiding denkt Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 182-183 aan de mogelijkheid, dat het woord in het Rijnland uit het Romaans zou zijn overgenomen. De vorm p + klinker + p kan echter het vermoeden wekken, dat het uit een overigens onbekende idg. substraattaal overgenomen is, zoals het geval kan zijn met pak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pap znw., mnl. pap(pe) v. = mhd. (md.) en mnd. pap (nhd. pappe v.), fri. eng. pap “melkbrij voor kinderen”. De andere bett. zijn jonger. Ook in ’t Skandin. overgegaan. Of ontl. uit het Rom. (it. pappa “kinderbrij”; vgl. lat. pappâre “eten”) òf een germ. onomatop. formatie, den lipklank van kleine kinderen reproduceerend: vgl. nog du. dial. pappe, peppe “mond”, pappen, pampen “eten”, pampe “brij”, opperdu. pampfen “met vollen mond kauwen”, eng. to pamper “verzadigen” (en “vertroetelen”). Vgl. pampelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pap. De geografie van het woord in het Rijngebied pleit voor ontlening uit het Rom.: Frings Germ. Rom. 182 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pap v., Mnl. pappe + Hgd. pappe, Eng. pap, Zw. papp, De. pap + Lat. pappa, woord waarmee de kinders voedsel vragen, Mlat. pappa = kinderpap: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pap s.nw.
1. Halfvloeibare gereg van meel in water of melk gekook. 2. Sagte mengsel van 'n ander stof wat nie as voedsel dien nie, maar bv. as geneesmiddel of skoonheidsmiddel.
Uit Ndl. pap (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1858).

2pap b.nw.
1. Sag, byna vloeibaar. 2. Lamsakkig, sonder deursettingsvermoë. 3. Liggaamlik swak. 4. Sonder lug.
Afleiding van pap (1pap). Die eienskapselement van die s.nw., nl. sag of fyn, het al meer na vore gekom, en dit is opgevat as 'n b.nw. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1912 in bet. 1, 1934 in bet. 2, 3 en 4).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Pap snw. Segsw.: Praat of jy (warm) pap in jou mond het, onduidelik, binnensmonds praat. Mansvelt 123: Met jou mond vol pap praat. – Ter Laan 137: Hai proat net òf e brij in de mond het, zeer onduidelik.” Vgl. Ndl. Wdb. III, 1356, XII. 346. Sien aartappel. Eckart 496. He sprickt as wenn he Brî im Munde hett. Tuinm. I, 312.
Segsw.: As dit pap reën, moet jy skep (of: moet jy ’n lepel hê), ’n goeie geleentheid moet jy nie ongebruik verby laat gaan nie. – Dijkstra I, 235: As ’t brij reint haw ik gjin leppel, ik heb altijd ongeluk;” Harreb. III, CXV: Al regende het brij, zijn lepel zou weg zijn. 17de eeus: men moet gapen als men pap biedt (Stoett. 999). G.C. van Santem, “Van t’ een op t’ aer / Soo wordmen niet dol: As men jou pap biedt, soo moetje gapen. In enigsins afwykende vorm kom die segswyse ook nog voor by Ter Laan 137, Joos 506, De Blo 185.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pap (Latijn pappa)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pap, waarschijnlijk van ’t Lat. pappare = eten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pap ‘halfvloeibaar voedsel’ -> Engels pap ‘zacht of halfvloeibaar voedsel voor jonge kinderen’; Xhosa papa ‘halfvloeibaar voedsel’ ; Indonesisch pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Ambons-Maleis pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Kupang-Maleis pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Menadonees pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Ternataans-Maleis pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Singalees pāppa ‘lijm, klevend papje van meel’; Japans † pappu ‘halfvloeibaar voedsel’; Berbice-Nederlands pap ‘halfvloeibaar voedsel’; Papiaments papa ‘halfvloeibaar voedsel’; Sranantongo papa ‘halfvloeibaar voedsel; papperig, zacht’; Saramakkaans pápa ‘halfvloeibaar voedsel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † pap, pupa ‘halfvloeibaar voedsel’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

pap. De taal Xhosa (ook wel isiXhosa genoemd) is een Bantoetaal. In het prachtige Ethnologue: Languages of the world, waarin informatie is te vinden over alle talen van de wereld (ook op internet: http://www.ethnologue.com), staat vermeld dat Xhosa voornamelijk wordt gesproken in het zuiden van Zuid-Afrika, en tevens in Botswana en Lesotho. In 1995 sprak 17,5 procent van de Zuid-Afrikaanse bevolking deze taal, 6.858.000 personen; het is de moedertaal van Nelson Mandela en de huidige president Thabo Mbeki. In totaal waren er in dat jaar 6.876.000 sprekers van het Xhosa in de wereld.

Omdat in Zuid-Afrika velen meer dan één taal spreken, en omdat het Afrikaans in het verleden invloedrijk is geweest, wekt het geen verbazing dat het Xhosa Afrikaanse leenwoorden heeft opgenomen, en daarmee indirect Nederlandse woorden; het Afrikaans is immers een dochtertaal van het Nederlands en de woordenschat is voor een belangrijk deel op het Nederlands gebaseerd. Zo gaat bijvoorbeeld het Xhosawoord ipapa terug op 'de pap'. De Nederlandse internet-encyclopedie

Wikipedia geeft voorts (onder Xhosa) nog de volgende voorbeelden: ihempe 'het hemd' (Afrikaans die hemp), ilokhwe 'de rok' (Afrikaans die rok), isilarha 'de slager' (Afrikaans die slagter; de /ch/-klank wordt als rh geschreven), itafile 'de tafel' (Afrikaans die tafel), itapile 'de aardappel' (Afrikaans die aartappel), ivasilaphu 'de waslap' (Afrikaans die waslap), torhu 'toch' (Afrikaans tog), ukudeka 'dekken' (Afrikaans dek) en ukulesa 'lezen' (Afrikaans lees). De zinnen Isilarha sideka itafile ngevasilaphu? Hayi torhu! 'Heeft de slager de tafel gedekt met een waslap? Nee toch!', bestaan dan ook geheel uit woorden die teruggaan op het Nederlands, met uitzondering van hayi 'nee'!

Het Nederlands heeft het woord pap 'halfvloeibaar voedsel' in het verleden, in de Romeinse tijd, uit het Latijn geleend: op schrift is het in het Nederlands in de dertiende eeuw aangetroffen. Het woord is waarschijnlijk een klanknabootsing: het geeft de klank weer die kleine kinderen met hun lippen maken als ze halfvloeibaar voedsel tot zich nemen. Het Nederlandse woord pap is door meerdere talen geleend. Om te beginnen gaat het Engelse pap wellicht terug op het Nederlands of Middelnederduits. De geleerden zijn het hier echter niet over eens: omdat het woord als gezegd een klanknabootsing is, bestaat de mogelijkheid dat het woord in de verschillende talen (vergelijk ook de Duitse vorm Pappe) onafhankelijk van elkaar is gevormd. Toch valt op dat het Engelse woord pas is gevonden vanaf de vijftiende eeuw, toen er veelvuldige contacten met het Nederlands en het Middelnederduits waren.

Zeker is wel dat het Nederlandse pap ontleend is door het Moluks (pap), het Japans (pappu), het Singalees (pāppa), het Sranantongo (papa) en het Papiaments (papa). In al deze talen betekent het 'halfvloeibaar voedsel', behalve in het Singalees, waar pāppa wordt gebruikt voor 'lijm, gemaakt van meel' - een betekenis die ook het Nederlandse pap bezit. In het Papiaments gebruikt men papa ook voor een slappeling: e ta papa is 'hij is een sul'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pap halfvloeibaar voedsel 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

999. Men moet het ijzer smeden als het heet is,

d.w.z. men moet eene gunstige gelegenheid niet ongebruikt voorbij laten gaan; de gelegenheid waarnemen, als die zich voordoet. De uitdr. wordt aangetroffen in het mlat. dum calidum fuerit debetur cudere ferrum; ferrum quando calet cudere quisque valet; tundatur ferrum, sum novus ignis inest; bij Goedthals, 17: Men moet het yser smeden te wylent dat heet is; in de Prov. Comm. 25: Alst yser heet is so salment smeden; zie verder Campen, 115; R. Visscher, Quicken, 3, 47: Ghy doet soo't hoort, ghy smeet het yser laeu; Everaert, 111: Smedet hysere binder wyle dat gloeyt; Sartorius I, 8, 37; Spieghel, 273; Hooft, Warenar vs. 1472; Idinau, 62; Harreb. I, 361 a; Waasch Idiot. 303 b; Antw. Idiot. 1778 en Bebel no. 10. In het Friesch zegt men eveneens: as 't izer hjit is moat it smeid wirde, waarvan een variant is as 't molken roan is moat me tsjernje (karnen); vgl. het 17de-eeuwsche men moet gapen als men pap biedt of trecken als 't nopt (vgl. fri.: dy 't byt het moat ophelje), seylen terwijl de wint dient, enz.; Afrik. as dit pap reën, moet jy skep (Boshoff, 334); het Westvl.: als je de neute hebt, je moet ze kraken; Vl. vischt terwijl het water blond is (Joos, 83); fr. il faut battre le fer quand il est chaud; mhd. die wîl das îsen hitz ist vol, vil bald man ez denn snîden sol; hd. man musz das Eisen schmieden, so lange es warm ist; eng. strike the iron while it is hot. Zie verder Wander I, 801.

1046. Ergens kaas (of pap) van gegeten hebben,

d.w.z. ondervinding hebben van iets, tot de ingewijden behooren, in een bepaald opzicht geen onwetende zijn, dikwijls in ongunstigen zin, evenals het gron. 'k heb d'r kool (of kouk) van had, ik heb er de slechte gevolgen van ondervonden (Molema, 218 b; 536 b), dat te vergelijken is met hij heeft er van gesmuld, dat ironisch opgevat beteekent ‘dat hij eene ondervinding in zijn nadeel heeft opgedaan’ (Harreb. III, 61 b). In het fr. zegt men in dezen zin savoir ce qu'en vaut l'aune; vgl. ook j'ai soupé de votre fiole, ik ken jou wel, jij behoeft me niets wijs te maken. Zie Volkskunde XXII, 87; Harrebomeé, I, 372: Hij heeft er geen kaas van gegeten; Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 92: Van stoeten opstellen heeft men in Holland geen kaas gegeten; Landl. 67: Die lieuwe te rake, daar hebben nog alle stroopers geen kaas van gegeten P.K. 47: Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel komen, maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen kaas gegeten; Nkr. VI, 8 Juni, p. 4: Zij grepen het artikel tachtig, bekeke; 't links en rechts aandachtig, maar hoe 't worden moest, helaas! nee, dáárvan aten zij geen kaas; Het Volk, 29 Jan. 1914, p. 1 k. 4: Helsdingen heeft van hooger onderwijs natuurlijk geen kaas gegeten; 25 April 1914, p. 6 k. 3: Buwalda is uiterst snel, maar van techniek en taktiek heeft hij toch nog heel weinig kaas gegeten; Nkr. IX, 19 Juni p. 7: Toen zijn we op een avond in z'n kantoor ingebroken en hebben d'r wat meegenomen, god, zo'n beetje, want de brandkast, daar hadden we geen kaas van gegeten; Het Volk, 15 Nov, 1915, p. 5 k. 4: Daar hebben u en ik geen kaas van gegeten; 3 Maart 1915, p. 5 k. 4: Gij at van politiek geen kaas, dat kon u weinig schelen; 25 Juni 1914, p. 2 k. 1: De kwestie was zoo nesterig en ingewikkeld, dat menig Kamerlid er absoluut geen kaas van gegeten had en zich toen maar hield aan den Minister; De Voorhoede, 9 Mei 1914, p. 1 k. 4: De kranten hier schrijven er zeer geleerd over, maar de ware kaas hebben we er toch nog niet van gegeten; Nkr. II, 2 Febr., p. 2; 19 Juli. p. 3; Ndl. Wdb. VII, 731. Syn. was Pak en mantel van iets hebben (zie Ndl. Wdb. XII, 165); Hij heeft er geen pap van gegeten (Harrebomee II, 171 a); zie Het Volk, 16 Sept. 1913, p. 5 k. 1:

Enfin, de kiezers vonden dat
Gij nog geen pap gegeten had
Van goeie wetten makerij;
Uw klubje viel, en gij er bij.

1541. Iemand iets in den mond geven,

d.w.z. iemand iets voorpraten; eene vraag zoo inkleeden, dat het antwoord er tevens in opgesloten ligt, gemakkelijk te geven is (fr. faire le bec à qqn; hd. einem die Worte in den Mund legen), waarvoor ook gezegd wordt iemand de pap in den mond geven (Harreb. II, 99; Kmz. 351; De Bo, 826; Waasch Idiot. 443 b; Antw. Idiot. 830; Schuerm. 387 b); bij Rutten, 179: Men zou het hem moeten met den pollepel ingeven, hij is zeer loom van begrip. In de middeleeuwen enen iet in den mont geven (bij Froissart, 147; 164); hd. einem etwas ins Maul (oder in den Mund) kauen, schmieren, streichen, ‘das bild lehnt an das kind an dem man den brei einstreicht’; zie Grimm VI, 1788 en Joos, 70: Ik gaf hem de pap in den mond, maar hij wou niet zwelgen, ik maakte hem het antwoord allergemakkelijkst en nog raadde hij het niet (Waasch Idiot. 255). Vgl. iemand iets voorkauwen (Harreb. III, 78), mnl. enen iet cnauwen (cnuwen); fr. mâcher qqch à qqn; hd. einem etwas vorkauen; Suringar, Erasmus, CLXXV: praemansum in os inserere.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal