Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pantoffel - (schoeisel om in huis te dragen, slof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pantoffel zn. ‘schoeisel om in huis te dragen, slof’
Mnl. toffelen ‘pantoffels’ [1490; MNW], hosen, scoenen ofte pantoffelen ‘laarzen, schoenen of pantoffels’ [1492; MNW]; vnnl. twee breede pantoffels [ca. 1500; WNT].
Ontleend, mogelijk via Middelnederduits pantoffelen ‘pantoffels’, aan Frans pantoufle ‘pantoffel’ [1465; TLF], eerder al de naam van een fantasie-heilige S. Pantouffle [1400-50]. De herkomst van het woord is onzeker. Het meest waarschijnlijk (TLF) is dat het woord samenhangt met de stam *patt- ‘poot, klauw’, met invoeging van een n, zoals dat met name in het Occitaans veel voorkomt. De verkorting toffel, die ook nu nog wel gevonden wordt, is te vergelijken met die van japon tot pon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pantoffel [huisschoen] {panto(e)ffel 1300-1450} < frans pantoufle, mogelijk verband houdend met patte [poot], mogelijk echter < latijn pantofola en dit < byzantijns-grieks pantōphelès [nuttig, geschikt voor alles], van pan (mv. panta) [ieder, elk] + ōpheleō [ik baat, ik help]. Van mannen wordt gezegd dat ze onder de pantoffel zitten [onder de plak zitten], omdat de pantoffel was wat de vrouw aan haar voet droeg in huis.

toffel1 [huisschoen] {ca. 1413} verkort uit pantoffel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pantoffel znw. v., laat-mnl. pantoffel, pantoeffel, evenals mnd. pantuffele, pantoffele, nhd. pantoffel (sedert eind der 15de eeuw) < fra. pantoufle (sedert de 15de eeuw) < ital. pantofola (vooral zuid-ital.). In het begin der 16de eeuw vermeldt Varchi, dat het woord als grieks beschouwd werd en G. Budé (1467-1540) heeft het verklaard als gr. pantóphellos ‘geheel van kurk’. Ofschoon dit in Nph 6, 1921, 216 als een bedenksel van Budé verworpen wordt, pleit er toch wel allerlei voor. In de 16de eeuw duidde het woord schoeisel aan, dat diende om de mens langer te doen schijnen (vgl. Puttenham 1589: the actors did walk upon their high corked shoes or pantofles). Zulke toneelschoenen werden dus gemaakt met dikke zolen van het lichte kurk. — Het woord komt vaak verkort voor als toffel (reeds 1490), Kiliaen toffel, tuffel, mnd. toffele, tuffele.

Vercoullie Vla. Akad. 1919, 182 vlgg. wil het 2de lid verbinden met duffelen, doffelen ‘omwikkelen’, wat reeds wegens de romaanse oorsprong geheel onaannemelijk is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pantoffel znw., laat-mnl. pantoffel (pantoeffel) m. De vorm toffel al sedert 1490; ook bij Kil toffel, tuffel (“Sax. Sicamb. Fris. Holl.”): vgl. pon < japon. Evenals hd. pantoffel m., mnd. (pan)tuffel(e), pantoffel(e) “pantoffel” in ’t eind van de 15. eeuw ontleend uit fr. pantoufle resp. it. pantofola, dat men uit gr. panto-phellos “geheel-kurk” afleidt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pantoffel. Gr. panto-phellos is wsch. niet meer dan een etymologisch bedenksel van Guillaume Budé (1467—1540): Hesseling Neophil. 6, 216. De afl. uit het Gr. moet dus vervallen. Er is echter geen betere; onaannemelijk Vercoullie Vla. Acad. 1919, 182 vlg., die het 2e lid op duffelen, doffelen ‘omwikkelen’ (zie duffel Suppl.) wil herleiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pantoffel v., gelijk Hgd. id., uit dial. Fr. pantofle (schriftfransch pantoufle); daarnevens dial. Ndl. pattoffel, dial. Fr. patofle, verbaalabstr. van (em)pantoufler = indoffelen, waaruit ook Wvla. patoefelen = koesteren; cf. nog Fr. avoir la gueule en pantoufle, d.i. in vodden en doeken gewikkeld om zich onkennelijk te maken (z. doffelen en toffel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pantóffel (zn.) pantoffel; Middelnederlands pantoffel <1492> < Frans pantoufle.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pantoffel s.nw.
Sagte, gemaklike skoen vir binnenshuise gebruik, gewoonlik saans.
Uit Ndl. pantoffel (al Mnl.).
Ndl. pantoffel kan wsk. teruggevoer word na 'n Griekse vorm wat 'heeltemal van kurk' beteken, so genoem omdat die skoen vroeër dik sole van kurk gehad het.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pantoffel: ligte kamerskoen; grotendeels verdring d. sloffie en Eng. slipper, o.a. nog in pantoffelheld; Ndl. pantoffel (Lmnl. panto(e)ffel), Hd. (end 15e eeu) pantoffel, uit Fr. pantoufle uit It. pantofola – in verb. gebring m. Gr. pantóphellos, “geheel v. kurk”, maar betwyfel; oor (weinig bek.) pantoffelheid v. Kem WFA 374.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pantoffel (Frans pantoufle)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Pantoffel, mnl. pantoffel en pantoeffel, uit fra. pantoufle. Vermoedelijk is dit ontleend aan ’t ngrie. pantophellos, dat: geheel van kurk bet., dus oorspr. (licht) schoeisel met kurken zool. Dikwijls afgekort tot toffel, waarvan weder toffelen (met een pantoffel) slaan. Van pantoffel komt pantoffelen = langzaam (als op pantoffels) loopen, wandelen; in ’t west-vla. ook patoefelen = koesteren, teerhartig verzorgen, van patoefel = pantoffel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pantoffel ‘huisschoen’ -> Indonesisch pantofel, pantopel ‘huisschoen’; Kupang-Maleis fantofel ‘huisschoen’; Makassaars pantôpoló ‘huisschoen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pantoffel huisschoen 1492 [MNW] <Frans

toffel huisschoen 1413 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1773. Onder de pantoffel zitten (of staan),

d.w.z. zich door zijne vrouw laten beheerschen; onder de plak van zijne vrouw zitten, onder Kapitein RondhemdEen hemd zonder slippen, een vrouwenhemd. dienen (Tuinman I, 92), pantoffelheid (fr. pantouflard; hd. Pantoffelheld, Pantoffelritter) zijn. Ook in 't algemeen onder de plak zitten; zie Sjof. 56: Nou zat ze nog onder de pantoffel van d'r moer. - De pantoffel draagt de vrouw in huis; vandaar dat bij overdracht dit schoeisel genomen werd voor de vrouw zelf, evenals in de 17de eeuw de pels (= onderrok) of de rokken, zooals de toenmalige uitdr. onder de pels (of de rokken) zitten (vgl. a petticoat-government) bewijst. Het type van een pantoffelheid vindt men beschreven door J.v. Maurik in O.K. bl. 108-112. Zie Taal en Letteren VII, 192; Harreb. II, 170; Ndl. Wdb. XII, 339; VII, 1481; Kmz. 244; Jord. 89: Frans Scheendert leek heelemaal onder de pantoffel weggedoken; Nw. School II, 285; Een braaf man met een lieve vrouw, die hem ongemerkt onder de pantoffel heeft; Afrik. onder die pantoffel staan; Wander III, 1172; Antw. Idiot. 938 en Waasch Idiot. 506: onder de(n) pantoefel liggen, onder het gezag staan van de vrouw; fri. dat wiif het hjar man onder 'e pantoffel; hd. unter dem Pantoffel stehen; eng. to live under the cat's foot; to be wife-ridden. Syn. onder den duim zitten (in Zoek. 62).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut