Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paniek - (plotselinge, hevige angst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paniek zn. ‘plotselinge, hevige angst of schrik’
Vnnl. eerst als bn. in paniquen vreese ‘panische angst’ [1675; WNT]; nnl. (zn.) panique ‘plotselinge schrik’ [1824; Weiland], paniek ‘id.’ [1858; Weiland].
Eerst als bn. ontleend aan Frans panique (bn.), eerder panice ‘panisch’ [1534; TLF], later als zn. ontleend aan het Franse zn. panique ‘panische angst’ [1828-29; TLF], een verkorting van terreur panique ‘panische angst’, een gedeeltelijke leenvertaling van Grieks deĩma pānikón ‘door Pan verwekte angst’, waarin het bn. pānikós afgeleid is van de naam van de herdersgod Pan, zie → panfluit. Deze god zou mensen en nimfen in bergen en grotten met geluiden de stuipen op het lijf jagen.
panisch bn. ‘voortkomend uit paniek’. Nnl. panischen schrik ‘panische angst’ [1730; WNT]. Ontleend aan Duits panisch ‘panisch’ [1550-1600; Pfeifer] in panischer Schrecken of panische Angst, dat evenals middeleeuws Latijn terror panicus ‘panische angst’, Middelfrans terreur panice ‘id.’, teruggaat op Grieks deĩma pānikón.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paniek [schrik] {1668} < frans panique [idem] < grieks panikon deima [schrik voor de god Pan], panikos [van Pan]; de Arcadische bosgod Pan had de reputatie, dat hij nimfen en mensen de doodsschrik op het lijf joeg.

panisch [hevig (van schrik)] {1726} < hoogduits panisch < grieks panikos (vgl. paniek).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

paniek

Het eigenaardige is, dat wij het zelfstandig naamwoord paniek aan het Franse panique hebben ontleend, maar het er bij behorende bijvoeglijk naamwoord panisch aan het Duits. In beide woorden zit het Griekse woord Pan, de naam die de goden gaven aan de zoon van Hermes, de kleine bosgod met zijn bokspoten en horens, omdat zijn aanblik hen allen (pantes = allen) vermaakte. Van Pan wordt verteld dat hij er behagen in schepte de mensen aan het schrikken te maken door op allerlei ogenblikken en plaatsen plotseling op te duiken en dwaze geluiden uit te stoten. Vandaar dat paniek betekent: een plotselinge, algemene angst die een menigte aangrijpt. Zo spreekt men van een paniek op de beurs of bij een brand in een schouwburg. Het bijvoeglijk naamwoord panisch wordt uitsluitend in verband met woorden als schrik, angst e.d. gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paniek znw. v. ‘panische schrik’ < fra. panique (sedert de 16de eeuw) < lat. panicus, afl. van de griekse god Pan, die de mens in het bos tot onredelijke angst kon brengen (vgl. lat. panicus terror, gr. panikós phóbos). — Sedert de 16de eeuw wordt daaruit gevormd nhd. panisch > nnl. panisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

panisch, paniek bnw. resp. znw. ’t Eerste uit hd. panisch, ’t tweede uit fr. panique. Dit internationale woord komt van gr. panikós, dat van Pãn gevormd is, den naam van een boschgod.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

paniek, komt ouder-nnl. als bnw. voor, maar is als zodanig moeten wijken voor panisch. Vgl. † komiek naast † komisch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paniek s.nw.
Skielike hewige vrees.
Uit Ndl. paniek (1668).
Ndl. paniek uit Fr. panique uit Grieks panikos, 'n afleiding van Pan, die naam van die god wat vrees by mense veroorsaak het.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paniek: groot (paniese) skrik; Ndl. paniek, Eng. panic (1603) uit Fr. (16e eeu) panique uit Lat. panicus (panicus terror, “paniese vrees”), Gr. adj. panikos (panikos phobos, “paniese vrees”), s.nw. panikon, “paniek”, hou verb. m. naam v. d. Gr. god Pan wat mense in die bosse tot vrees kon dryf.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

panisch (Duits panisch)

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

paniek: plotselinge, algemene en hevige schrik of angst, veroorzaakt door een reëel of verondersteld gevaar. Het eponiem dankt zijn naam aan de herdersgod Pan, die de Perzen in de slag bij Marathon (490 v. Chr.) een panische schrik op het lijf joeg.
In het noorden van de Peloponnesus, het bosrijke, idyllische Arcadië, heerste Pan over de ruige saters en jolige nimfen. Spelend op zijn zevenpijpige fluit (panfluit, herdersfluit) beschermde hij zijn kudde. De goden noemden hem Pan, omdat hij allen vermaakte (Gr. pan = alles). Als zoon van Hermes en Penelope, of misschien wel van Zeus en de nimf Kallisto, zag Pan het levenslicht. Hij was geschapen met bokkepoten, hoorns, een staart en een sterk behaard lichaam. Vlug als een berggeit kon zijn plotselinge verschijning de niets vermoedende reiziger de stuipen op het lijf jagen. Bekend is zijn avontuur met de lieftallige bosnimf Syrinx, die door hem achtervolgd in een slank riet veranderde, waarvan Pan vervolgens zijn herdersfluit vervaardigde.

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Paniek, Panische schrik (Gr.: panikos), Pansfluit. Een plotselinge schrik of hevige ontsteltenis, die een groote menigte met geweld aangrijpt, noemt men een paniek of panische schrik, bijv. in een schouwburg als er brand! wordt geroepen; op de beurs, als een groote firma onverwacht failliet gaat, enz.
De uitdrukking stamt af van Pan, den Griekschen god van het vee en de bosschen. Hij had een afzichtelijke gedaante, o. a. horens en bokspooten. Eens werd hij op een boschnimf verliefd, en toen hij de verschrikte jonkvrouw achternazette, werd zij op haar dringende bede door de nimfen der rivier, die de vluchtende tegenhield, in een oeverriet veranderd.
De wind, die door het riet blies, bracht klagende tonen voort, en Pan wist weldra deze tonen na te bootsen, doordat hij zeven rietjes, het volgende steeds kleiner dan het voorgaande, bij elkander voegde en zoo de Pansfluit, herdersfluit of schalmei uitvond.
Toen de Titanen (reuzen) eens den hemel wilden bestormen, om Jupiter (Zeus) te onttronen, liet Pan plotseling een vreeselijk monster verschijnen, die de overmoedige reuzen als door schrik verlamde, zoodat Jupiter gemakkelijk overwinnaar bleef. Ook bij andere gelegenheden liet hij zulke ijselijke, doordringende geluiden hooren, dat iemands haren te berge rezen en de vijandelijke legerscharen het hazenpad kozen. Zoo kwam men er toe, elken plotselingen, hevigen schrik een paniek te noemen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paniek ‘schrik’ -> Indonesisch panik ‘schrik; door paniek bevangen’; Menadonees panik ‘schrik’; Minangkabaus panik ‘schrik’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paniek schrik 1872 [WNT] <Frans

panisch hevig (van schrik) 1726 [Toll.] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1772. Een panische schrik,

d.w.z. een geweldige, groote schrik, zoo genoemd naar den Griekschen veld-, bosch- en herdersgod Pan. Volgens Baumeister, Denkmäler des klass. Altertums II, 1149 ‘ist die Sage vom panischen Schrecken hervorgegangen aus dem Grauen vor plötzlichen Tönen in der Waldeinsamkeit und aus dem mannigfachen und starken Widerhall in Thalgründen und zwischen Bergwänden’. Roscher denkt aan het verschijnsel, dat vele dieren, vooral schapen en geiten, 's nachts door het geringste onverwachte geluid hevig schrikken en dan als dol wegrennen en voorthollen.Lex. der Griech. und Röm. Myth. III1, 1389. In het Grieksch was de Φοβος πανικος reeds spreekwoordelijk; zie Büchmann, bl. 84. Vgl. het fr. panique, eig. terreur panique; ndl. paniek; eng. a panic (fear or fright).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut