Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pand - (onderpand, gebouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pand 1 zn. ‘gebouw’
Onl. in het toponiem Pantgate ‘Pandgate (Frans-Vlaanderen)’, letterlijk ‘toegangsweg van het klooster(?)’ [1114; Gysseling 1960]; mnl. pant ‘huis, gebouw’ in dor den pant ‘door de (klooster)galerij’ [1265-70; VMNW], erfelijcken pande ‘onroerend goed’ [1300; MNW]; vnnl. denselven pandt is naemaels gespleten ‘en het zelfde perceel is later gesplitst’ [1545; WNT].
Wrsch. hetzelfde woord als → pand 3 ‘tot waarborg dienend voorwerp’, met een specifiek Nederlandse betekenisontwikkeling: als er geen roerende goederen te verpanden waren, werd mogelijk een onroerend goed (namelijk een gebouw) als onderpand gebruikt.
Een andere mogelijkheid is ontlening aan Oudfrans pan ‘gedeelte’ [ca. 1200; Rey], eerder ‘zijde van een object’ [1170; Rey], ‘verticaal constructiegedeelte van een gebouw, muur’ [1150; Rey] en ‘stuk stof; gedeelte van een gebied’ [1080; Rey], dat ontwikkeld is uit Latijn pannus ‘lap, stuk goed’, zie → pand 2. Uit de Oudfranse betekenis ‘gedeelte; muur’ kan dan via ‘bepaald gedeelte van een belangrijk gebouw, bijv. kerk of klooster)’ de huidige betekenis zijn ontstaan. Een andere mogelijkheid is ontwikkeling uit de Oudfranse betekenis ‘gedeelte van een gebied’ via ‘perceel’ de betekenis ‘gebouw dat op het perceel staat’ (zie de attestatie uit 1545).

pand 3 zn. ‘tot waarborg dienend voorwerp’
Onl. (in gelatiniseerde vorm) pandum ‘tot waarborg dienend voorwerp’ [1114; ONW]; mnl. (in Latijnse context) quatuor frustra terre. ad i pant ‘vier stukken land als onderpand’ [1240; VMNW], her lif was prises pant ‘hun leven was onderpand van de overwinning’ [1250; CG II], dan mochse here hande slaen ane dat vorghenomde hues ende ane de hofstat alse ane heren pant ‘dan zou ze het voornoemde huis en de hofstede in bezit mogen nemen als haar onderpand’ [1296; CG I], te winne alse pant ‘te verkrijgen als onderpand’ [1298; CG I].
Wrsch. al vroeg ontleend aan Latijn pannus ‘lap, stuk goed’, verwant met → vaan. De slot-d, is wrsch. paragogisch als in → arend. De Latijnse betekenis ‘stuk goed’ heeft zich in het West-Germaans en Noord-Frans ontwikkeld tot ‘tot waarborg dienend voorwerp’.
Ontlening aan Latijn pondus ‘(tegen)gewicht, waarde’ (Kluge), zie → pond, is vanwege de klinkerverandering niet waarschijnlijk. Ontlening aan vulgair Latijn *pantum < *panctum, een nevenvorm van pactum ‘overeenkomst’ (zie → pacht en → pact) is eveneens onwaarschijnlijk. Oudfrans pan ‘tot waarborg dienend voorwerp’ [1214; OED], met nevenvorm pant (Noordoost-Frankrijk, omgeving Metz (OED)), is wrsch. ontleend aan het Germaans, zie ook → pand 2 en → pand 1. Mogelijk hoort het Oudfranse woord bij de ww. Oudfrans paner, Oudprovençaals panar, Spaans apandar ‘inpikken’ (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pand1 [onderpand, gebouw] {pant [onderpand, iets van grote waarde, vastgoed, pand] 1210-1240} oudsaksisch pant, oudhoogduits pfant, oudfries pand, pond; etymologie onzeker, niet onmogelijk evenals pand2, van latijn pannus [lap, vod].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pand 1 znw. o. ‘onderpand’, mnl. pant o. m. ‘onderpand, pand, vast goed, kloostergalerij, afdeling, vak, overlast, kwelling, letsel’, ohd. pfant o. ‘onderpand, pand’, os. pant, ofri. pand, pond. Een uitsluitend westgerm. woord (on. pantr m. is aan mnd. ontleend), waarvan de herkomst niet geheel vaststaat. — Zie: paneel.

Men denkt aan 1. ofra. pan ‘stuk stof’ (waaruit ne. pawn) en dit < lat. pannus ‘stuk doek’. Maar ofra. pan betekent ook ‘weggenomen voorwerp, pand’, waarbij men denkt aan ofra. paner, prov. panar, spa. apandar ‘uitplunderen’. Deze verklaring heeft als bezwaar, dat het germ. woord vanouds een d aan het eind heeft. — 2. Daarom wil Bréal MSL 7, 1892, 443 het woord afleiden uit vulg.-lat. < *pantum < *panctum voor lat. pactum. Dit voldoet naar de bet. beter, maar opereert met te veel onbekenden. — 3. Zeer onwaarschijnlijk is de mening van E. Schröder KZ 48, 1918, 253 vlg. die pand als zeer vroege ontlening uit lat. pondus wil beschouwen, zo vroeg dat de overgang o > a nog plaatshebben kon (tenzij men klanksubstitutie zou willen aannemen); daartegen pleit wel de uitsluitend westgerm. verbreiding, terwijl pond over het gehele germ. gebied bekend is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pand I (onderpand enz.) znw. o., mnl. pant (d) o. m. “onderpand, pand, kostbaar bezit, vast goed, kloostergalerij, afdeeling, vak, overlast, kwelling, letsel”. = ohd. pfant o. “onderpand, pand” (nhd. pfand), os. pant, ofri. pond, pand o., on. (uit het Mnd.) pantr m. “id.”. Men gaat veelal uit van de grondbet. “weggenomen ding” (vgl. spa. prenda “pand” van lat. prehendere “nemen”), die tegelijk ook de mnl. bet. “overlast, letsel” begrijpelijk maakt, en dan leidt men pand af van ofr. pan “weggenomen ding, pand” (waaruit ook eng. pawn “pand”), dat door sommigen uit lat. pannus “lap, stuk goed” wordt verklaard, door anderen met ofr. paner, prov. panar, spa. apandar “uitplunderen” verbonden en van pannus gescheiden wordt. Voor deze hypothese kan worden aangevoerd, dat pand een continentaal-wgerm., van ouds blijkbaar niet ags. en ngerm. woord is, er tegen de reeds vóór-ohd. stamvorm met een d. Een betere verklaring ontbreekt echter; ontl. uit lat. panctum “het overeengekomene” (naast pactum. Zie pacht) is niet aannemelijker te maken. Moeilijk verklaarbaar is de mnl. mnd. voorkomende bet. “kloostergalerij”. Men heeft aan een oudere bet. “(tusschen)stuk, afdeeling” gedacht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pand I (onderpand enz.). De hypothese van Edw. Schröder KZ. 48, 253 vlg., dat pand de vroegste germ. ontlening uit lat. pondus zou zijn (met overgang o > a of klanksubstitutie) naast de jongere pond, is niet wsch. o.a. wegens de vanouds blijkbaar continentaal-wgerm. verbreiding, terwijl pond algemeen germ. is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pand 2 o. (onderpand), Mnl. pant (= schade, inbeslagneming, waarborg), panden = met geweld rooven, Os. pant + Ohd. pfant (Mhd. id., Nhd. pfand), Ofri. pand: een continentaal Germ. w. van onbekenden oorspr. (z. penning).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pand s.nw.
1. Waarborg of verbintenis. 2. Kosbare besit.
Uit Ndl. pand (al Mnl.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pand ‘onderpand’ -> Deens pant ‘onderpand, statiegeld’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pant ‘onderpand’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pant ‘onderpand, statiegeld’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins pantti ‘onderpand’ ; Ests pant ‘onderpand’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands pand ‘onderpand’; Papiaments pant ‘onderpand (in spel)’; Sranantongo panti ‘waarborg; verpanden’; Sarnami pánti ‘onderpand’.

pand ‘gebouw’ -> Engels † pawn ‘overdekte winkelgalerij’; Negerhollands pand ‘gebouw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pand onderpand 1210-1240 [CG I1, 16]

pand gebouw 1351-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut